zondag 5 augustus 2018

PRENTWERK AAN HET NIEUWE KERKHOF



Beste KFN-lezers,

De tijden veranderen, en wij veranderen mee. We sluiten dingen af, en beginnen iets nieuws. Dit is niet, mocht u dat denken, het begin van een stichtelijk woord over de zin des levens en het verval der zeden, maar een inleiding tot een tamelijk feitelijke mededeling. Ik ben namelijk verhuisd, en Prentwerk dus ook. En daarmee Kunstforum Noord.

Na vele jaren Folkingestraat en Vismarkt was Prentwerk sinds 2011 alleen nog online te vinden, op www.prentwerk.nl. Maar sinds twee maanden heb ik weer een plek in de stad en daar ben ik blij mee. Net buiten de diepenring, in de serene rust van het Nieuwe Kerkhof. Die letters op de foto staan niet echt op de gevel, want daar krijg je gedonder mee, maar ze geven wel aan waar ik nu verblijf houd: in de intieme setting van het grote souterrain van nummer 40. Een soort verborgen schatkamer in een oud pand dat niet probeert met de tijd mee te gaan. 

De afgelopen tijd ben ik bezig geweest de uitgebreide Prentwerk collectie te ordenen en uit te stallen. En als alles wat je in jaren hebt verzameld je weer eens door de vingers gaat, besef je het even weer: dit mag gezien worden. Niet dat ik op vaste dagen ga zitten wachten of er misschien ook iemand komt. Dat heb ik lang genoeg gedaan, vind ik eigenlijk. Maar een mail (info@prentwerk.nl)of een telefoontje (06 14 170171) is genoeg voor een afspraak. En dan is ieder van harte welkom.

In september wil ik hier de eerste presentatie organiseren (tentoonstelling is misschien een te groot woord), met aquarellen van Martin Tissing. Daarover binnenkort meer (abonneer u in het vakje rechtsboven).. 

Om u alvast een idee te geven heb ik een kort filmpje gemaakt:




Klik op de afbeelding om de video te starten

dinsdag 12 juni 2018

HOMMAGE AAN ARIE DE GROOT (1937-2016)



Een opmerkelijke, en zeer fraaie, tentoonstelling bij Galerie Hoogenbosch in Gorredijk: 'Van vervreemding naar verwondering', een eerbetoon aan de in 2016 overleden Rotterdamse kunstenaar Arie de Groot. Ooit twee exposities bij Prentwerk in Groningen, maar voor het eerst te zien in Friesland. Daarom een kort filmpje om duidelijk te maken dat u wel even moet gaan kijken. Zou ook mooi passen in een museum in de buurt van Heereveen. Tot 1 juli.


woensdag 6 juni 2018

LOS VAN DREWES DE WIT




Is het u wel eens opgevallen, beste KFN-lezer, dat als, op televisie of in kranten en tijdschriften, een kunstenaar gevraagd wordt om iets te vertellen over zijn (of haar) werk, hij al heel gauw niet meer praat over wat daar aan de muur hangt, maar in de eerste plaats over zichzelf? Over zijn ideeën, zijn wereldbeeld, zijn gemoedstoestand, zijn verbeelding? Daar lijkt een idee aan ten grondslag te liggen dat je dat werk niet goed kunt begrijpen als je niets over wie het heeft gemaakt. Dat al die schilderijen aan de muur eigenlijk stukjes van hemzelf zijn, een afspiegeling zijn van zijn binnenwereld en dat je, wil je iets van die schilderijen snappen, ook iets moet begrijpen van die binnenwereld. Dat al die werken aan de muur, en al het andere dat hij heeft gemaakt, eigenlijk een zelfportret vormen.

Het is een concept van de kunstenaar dat teruggaat tot de Romantiek. Er zijn veel van zulke kunstenaars, vroeger en nu. En, om misverstanden te vorkomen, er zijn door die kunstenaars schitterende werken gemaakt. In zekere zin is het ook een bevestiging van hoe veel mensen de kunstenaar willen zien, als mysticus, als profeet, of op zijn minst als geprangde ziel die zijn innerlijk leven tot uitdrukking tracht te brengen in zijn werk. Dat romantische beeld is zo wijdverbreid dat je soms bijna zou denken dat het een definitie van kunst is. Maar dat is niet zo. Het is geen norm. Hoe populair ook, het is niet meer dan één van de vormen waarin de kunst en de kunstenaar zich manifesteert. Er zijn ook heel andere, er zijn ook uitzonderingen. En vanmiddag kijken naar een van die uitzonderingen: Drewes de Wit.




Want als je Drewes vraagt om iets te zeggen over zijn werk, krijg je iets heel anders te horen. Dan vertelt hij vol verve over zijn materialen, over verfsoorten en hun eigenschappen, over ingrepen en experimenten, over het proces dat uiteindelijk leidde tot het schilderij dat wij zien. Er is één onderwerp dat angstvallig buiten beeld wordt gehouden: Drewes de Wit. En dat is ook hoe hij het wil. Want als hij het over een werk heeft, spreekt hij vaak van een ‘object’. En in zekere zin is dat een sleutelwoord tot zijn kunst. ‘Object’ suggereert ‘objectief’. Objectieve kunst. Nu zijn ‘objectieve kunst’ of ‘subjectieve kunst’ geen termen die in de kunstgeschiedenis worden gehanteerd. Maar toch zeggen ze in dit verband iets essentieels over het werk waar we naar kijken. ‘Subjectieve kunst’ heeft te maken met persoonlijke expressie: de schilder schildert zichzelf. Voor zijn werk put hij uit een soort innerlijk reservoir en daar probeert hij op het doek uitdrukking aan te geven. Schilderkunst als spiegel.

Bij wijze van contrast wil ik graag Drewes de Wit zelf aan het woord laten. In 2011 heb ik lange gesprekken met hem gevoerd voor de eerste grote monografie over zijn werk en daarin heb ik het volgende citaat opgenomen: 

‘Bij mij komt een schilderij niet van binnenuit, of van buitenaf. Voor mijn werk heb ik niets aan wat ik vind of voel, wat ik heb gelezen of heb meegemaakt. Buiten het schilderij zelf is er heel weinig dat mij aanleiding geeft tot schilderen. Het beeld moet op zichzelf kunnen staan. Ik heb het gemaakt, maar ik ben het niet.’

Het is een veelzeggende uitspraak en hij verklaart, in een parafrase, ook de op het eerste gezicht enigszins mysterieuze titel van deze tentoonstelling: ‘Los van mij’. De schilderijen zijn er, en Drewes de Wit is er ook. Maar de werken moeten het zelf doen. Los van hem.

Op dit punt zal het u niet verbazen dat het werk van Drewes de Wit zijn wortels heeft in de fundamentele schilderkunst, een stroming in de tweede helft van de jaren zeventig die zich afzette tegen dat idee van kunst als persoonlijke expressie, maar die bovenal de nadruk wilde leggen op de handeling van het schilderen zelf, op het materiaal en op de processen die daarbij een rol speelden. Er bestaat een jeugdfoto van Drewes waarop hij met een kwast van meer dan een meter breed, met zwarte verf, langs een witte muur loopt en zo een brede lijn achterlaat, van dik naar dun, tot de verf op is. Idee, concept, performance, action painting. Fundamentele schilderkunst!





Wilde tijden, jazeker! Maar, zoals bij de meesten van ons, duurden dat soort radicale experimenten nooit heel lang. In de jaren daarna, toen de fundamentele schilderkunst enigszins was uitgewoed, verschoof ook Drewes de Wit zijn aandacht van de pure handeling naar wat die handeling uiteindelijk als beeld opleverde. Kunst om naar te kijken.Toch bleef er een constante in zijn werk. Het bleef altijd een vorm van onderzoek naar de wisselwerking van materiaal en beeld. 



En zo gaat het nog steeds, hoe verschillend de resultaten over een langere periode bezien ook mogen zijn. Hij gaat nog steeds op dezelfde manier te werk. Hij ’bevraagt’ het materiaal, zoals hij het noemt. Soms gaat hij mee in de eigenschappen, soms gaat hij er juist dwars tegenin, hij wacht af wat er gebeurt, hoe het uitpakt qua beeld en het resultaat bepaalt zijn volgende stap. Hij poetst weg, schuurt, brengt een nieuwe laag aan en kijkt hoe die reageert. Het is een proces waarbij de kunstenaar stuurt, maar soms ook gestuurd wordt, waarin hij richting geeft, maar soms ook dankbaar het toeval accepteert.

En dan komt er ergens in dat proces dat euforische moment. Dan stopt het proces. Niet abrupt of geforceerd, maar op een natuurlijke manier. Dat is het moment waarop een werk zijn voltooiing vindt, waarop de kunstenaar ’ziet dat het goed is’. Het werk heeft zijn vorm gevonden. En dan daalt er een stilte neer. Zoals Matisse het noemde, ‘du calme’. Er is iets monumentaals ontstaan dat rust geeft. Een werk dat de kunstenaar niet meer nodig heeft. ‘Objectieve kunst’.

Ja maar, zult u nu misschien tegenwerpen, maar wie bepaalt dat? Wie beslist wanneer een werk af is en je er niets meer aan moet doen? De kunstenaar toch zeker? En is dat dan geen subjectieve keuze? Jazeker, daar hebt u gelijk in. Want het is de keuze van het moment die de kwaliteit van het werk bepaalt en maakt dat een werk herkenbaar is als ‘een’ Drewes de Wit. Maar ‘los van hem’, dat wel. 



Uit het voorafgaande zou je gemakkelijk het idee kunnen krijgen dat het werk van Drewes de Wit analytisch van aard is, dat iedere emotie zorgvuldig is uitgebannen. Koel en zakelijk. Maar het tegendeel blijkt het geval. Keer op keer blijkt uit de reacties van mensen op zijn werk dat ze erdoor worden geraakt, dat die verstilling in vorm en kleur, zonder enige verwijzing naar het menselijk gewoel, juist een diepe indruk op hen maakt. En als hen dan gevraagd waarom precies, vallen er, zij het vaak wat aarzelend, toch termen als ‘verstild’, ‘meditatief’ en zelfs ‘poëtisch’. Van Drewes de Wit mag het allemaal. Erger nog, hij is er best blij mee, want een werk dat niemand raakt is een zinloos werk. Maar het blijft allemaal wel voor onze rekening. 

Wie in Groningen in de Kostersgang op zoek gaat naar het atelier van Drewes de Wit, komt bij een grote groene deur. Daarop hangt een bordje ‘werkplaats’. En dat is misschien wel de meest beknopte karakterisering van de kunst die we hier vanmiddag bekijken.






[Openingswoord bij de tentoonstelling 'Los van mij' in de Ijsselsalon, Zutphen]

donderdag 26 april 2018

OUDE MEESTERS




Samen goed voor 230 jaar noordelijke kunstgeschiedenis. Matthijs Röling, Martin Tissing en Drewes de Wit in de tuin van Borg Verhildersum, Leens.

vrijdag 10 november 2017

CONSTRUCTIVISTISCHE VERBANDEN




In Museum Belvedère is t/m 28 januari de tentoonstelling Constructivistische verbanden te zien, waarin samenwerking met Felix de Boeckmuseum in Brussel een overzicht wordt gegeven van de relaties tussen de geometrisch-abstract werkende kunstenaars van De Ploeg (Alkema, Van der Zee, Werkman) en hun Vlaamse tijdgenoten als Jozef Peeters, Karel Maes, Victor Servranckx en Michel Seuphor. Het is een boeiende expositie geworden, rijk ondersteund met historische documentatie.

Er is in de noordelijke media al uitgebreid over geschreven en gemakshalve (of uit gemakzucht, zo u wilt) voeg ik een link in naar het uitgebreide stuk dat Marita de Jong eraan wijdde op de website Fryslan1. Ze vindt het vast wel goed.


http://fryslan1.frl/2017/11/09/spraakmakende-constructivistenen-hemelbestormers/
Klik op de afbeelding



Voor wie toch liever eerst plaatjes wil zien, hieronder een korte impressie van de tentoonstelling: 

https://youtu.be/L-h2RnA298g

Klik op de afbeelding om de video te zien



[O ja, en wie nu moppert dat er alweer die suffe Satie onder staat: het lijkt wel of het steeds moeilijker wordt om op YouTube passende muziek bij een tentoonstelling te vinden. Dus gemakshalve (of uit gemakzucht ...)]

dinsdag 24 oktober 2017

ZOALS DE WIND WAAIT ... - Tjibbe Hooghiemstra & Arno Kramer in melklokaal, heerenveen




Oponthoud op doorreis 2. Dat is de titel van deze tentoonstelling. Tjibbe Hooghiemstra en Arno Kramer. Dat wekt de indruk dat er ooit ook een deel 1 was, en dat klopt ook: in de Grote Kerk in Lochem, in 2001. De laatste keer dat deze twee kunstenaars, die elkaar toch zo goed kennen, samen exposeerden. En daar was ik. Ik heb zelfs nog de catalogus, vreemd genoeg niet gesigneerd door Tjibbe Hooghiemstra, de man voor wie ik naar Lochem afreisde, maar door Arno Kramer, wiens werk ik toen nog veel minder goed kende. Van Tjibbe heb ik uit die expositie nog twee kleine tekeningen, pagina’s uit een Victoriaans schoolschriftje, op teer crèmekleurig papier met afgeronde hoeken en een scheurrand. Ze lagen in de kerkbanken, onder glasplaatjes, op de schuine plank waar je normaal de psalmen- en gezangenboeken vindt, zodat je, als je ze allemaal wilde bekijken, meter voor meter over de harde kerkbanken moest doorschuiven. En nu, zestien jaar later, staan ze hier weer samen, op licht gevorderde leeftijd, net als ik.

Ik ben steeds meer gesteld geraakt op dat vreemde, ongrijpbare werk van deze twee kunstenaars, dat zo verschillend is en toch zo goed bij elkaar past. Maar tegelijkertijd zadelt het mij op met een probleem. Er is iets in dat werk dat vragen oproept die ik niet goed kan beantwoorden. En bij wijze van openingswoord wil ik vanmiddag dat probleem aan u voorleggen. Niet omdat ik van u een antwoord verwacht, maar omdat het iets is dat zich voordoet bij veel meer kunst dan die van Tjibbe Hooghiemstra en Arno Kramer alleen.




            Ik kan dat probleem misschien het beste duidelijk maken aan de hand van een waargebeurd verhaal. Het dateert van lang geleden en het gaat over een andere kunstenaar, toevallig de leermeester van Tjibbe Hooghiemstra. In 1998 verscheen bij uitgeverij Philip Elchers in Groningen een boekje getiteld Herinnerd Ostia, met daarin een gedicht van Cor Jellema met drie kleurenlitho’s van Martin Tissing. Ostia is een oude Romeinse havenplaats, bij Rome. Jellema was daar ooit geweest, en Martin Tissing ook, zij het in een andere tijd, en daarom had de uitgever besloten hen samen te brengen voor deze uitgave. Het probleem ging niet zozeer over de poëzie, maar over die litho’s. Ik vond ze prachtig, dat was meteen duidelijk, maar tegelijkertijd was er iets dat mij dwarszat. Ik besloot het hem te vragen: ‘Martin, ik vind die prenten heel mooi, maar er is iets dat ik niet snap. Ik zie allerlei vormen en kleuren, maar waar is Ostia? Kun je me uitleggen wat die vormen nou met Ostia te maken hebben?’ Het bleef even stil en hij keek wat vertwijfeld. ‘Ach schat, waarom wil je dat weten? Wordt het beeld daar beter of mooier van?’ Toen was het weer even stil, want ik had geen antwoord. Nee, natuurlijk niet. En toch vroeg ik het mij af. Waarom? Dat is waar mijn probleem over gaat: de spanning tussen kijken en kennen, tussen willen ervaren en willen begrijpen.




          Datzelfde heb ik bij Tjibbe Hooghiemstra en, op een iets andere manier, bij Arno Kramer. We staan voor een werk, we kijken ernaar, maar we weten niet goed wat we nou eigenlijk zien. De beelden roepen vragen op, omdat ze lijken te verwijzen naar een wereld buiten de lijst, maar zonder expliciet te worden. Die tekeningetjes uit Lochem zijn, zoals Martin Tissing zou zeggen, wonderschoon, maar als iemand me zou vragen ze te beschrijven, zou ik het niet weten. Wat staat daar in het beeld geschreven? Is dat een bloem, of helemaal geen bloem? Is dat een landschap, of lijkt het alleen maar een landschap? Bij Arno Kramer speelt dat nog meer, juist omdat er figuratieve elementen inzitten die we onmiddellijk herkennen, maar die we niet in een context kunnen plaatsen. Hoezo, een zwaan? Van wie is dat been? Wat doet die haas daar? Moet ik die man kennen? Allemaal vragen, maar zonder antwoorden.




 Tenminste, met een enkele uitzondering. Arno heeft ooit, heel lang geleden, eens in een interview uitgelegd dat de jurk die je zo vaak terugziet in zijn tekeningen teruggaat op een advertentie in een Ierse krant voor een communiejurk, de feestelijke jurk die kleine meisjes dragen als ze voor de eerste keer ter communie gaan. En zoiets horen wij graag. Het feit dat die mededeling in latere stukjes voortdurend wordt herhaald geeft al aan dat men dat op de een of andere manier als belangrijke informatie beschouwt, iets dat een verklaring geeft. Ah, zit dat zo! En op een letterlijke manier doet het dat ook wel, maar hier steekt plotseling het Ostia-probleem de kop weer op. Want wat schieten we ermee op als we dat weten? Wordt het dan opeens een Ierse jurk, of een katholieke jurk? Wordt het beeld daar mooier of beter van? Nee. Want die jurk gaat een zelfstandig leven leiden, als visueel gegeven, dat telkens weer opduikt en steeds weer op verschillende manieren wordt uitgewerkt. En als we die beelden willen bekijken, puur als beeld, dan schieten we met die kennis uiteindelijk maar weinig op. En toch …

Kijken versus weten. Maar hoe weten we dan hoe we moeten we dan kijken naar het werk van deze twee kunstenaars? Het is een penibele onderneming om dingen te gaan beweren over het werk van twee kunstenaars als ze er zelf bijstaan. Je loopt voortdurend het risico dat een van beiden opeens naar voren springt en verontwaardigd uitroept: ‘Onzin!’ Maar ik waag het erop.

Laten we beginnen met vast te stellen dat is er bij deze beide mannen iets niet is. Vastberadenheid.  De vastbeslotenheid van de schilder die een vaasje met bloemen, een oud Chinees bord en een speelgoedpaardje uitstalt op een oud Perzisch tapijtje, zich achter de ezel posteert en zegt: ‘Dat ga ik schilderen!’ Kunst met voorbedachten rade.  

        Maar als het dat niet is, wat dan wel? Aan de kunstenaars heb je in zo’n geval ook niet veel. Tjibbe Hooghiemstra is nooit erg scheutig geweest met toelichtingen op zijn eigen werk. Als je een beetje doorvraagt, lacht hij wat en zegt: ‘Dat is het geheim van de smid!’ Dus als je iets meer over zijn manier van werken te weten wilt komen, moet je dat bij elkaar sprokkelen uit wat losse opmerkingen, een handjevol titels en citaten, en, gelukkig maar, een paar verstandige dingen die inleidingschrijvers op schrift hebben gesteld. In allerlei interviews heeft Arno Kramer wel meer verteld over de wijze waarop zijn tekeningen tot stand komen en ik denk dat vreemd genoeg, hoe anders de resultaten er ook uitzien, zijn aanpak in wezen niet zoveel verschilt van die van Tjibbe.

 


Zowel Tjibbe als Arno zijn in de eerste plaats tekenaars en beiden benadrukken het directe, het spontane, soms zelfs het vluchtige, dat een tekening heeft in vergelijking met een schilderij.  Ergens in een van die teksten over tekenen in een boekje van Arno wordt gesproken van de ‘denkende hand'. Dat is mooi gezegd, maar als je erover nadenkt, weet ik niet of die beeldspraak uiteindelijk wel opgaat. Die hand denkt namelijk niet zelf, tenzij hij van tevoren al duidelijk weet wat hij wil doen, zoals bij onze stillevenschilder. Maar in de meeste gevallen is die hand is niet meer dan een uitvoerder, die via oneindig veel zenuwdraadjes wordt aangestuurd. Tekenen is, volgens Arno Kramer, ‘het verkennen van de achterkant van de ziel, de geest en het hart’.  

Maar, als die beelden niet van tevoren bewust zijn bedacht, waar komen ze dan vandaan? Als de kunstenaar in zijn atelier zit met een wit vel papier voor zich, dan moet er toch iets zijn dat een tekening in gang zet, dat als uitgangspunt dient? Misschien moeten we voor een antwoord op die vraag een andere kant op gaan zoeken. Arno Kramer schrijft ook gedichten, en in publicaties over hem kom je veel poëzie tegen, van hemzelf en van anderen. Voor hem staan beeldende kunst en poëzie heel dicht bij elkaar. In een van die boekjes staat, in zijn geheel geciteerd, een gedicht van de Ierse dichter Seamus Heaney. Het heet Postscript. Het gaat, in ieder geval in eerste instantie, over een intense natuurervaring, een autorit langs de kust van Ierland, met een wilde zee aan de ene kant en de rotsen aan de andere, over een leigrijs meer met zwanen, over de wind en het licht, en hoe al die impressies op elkaar inwerken. Je kunt, zegt hij, kunt die ervaring alleen maar ondergaan, al rijdend. Je kunt de auto niet op een parkeerplaats zetten omdat je het allemaal wat beter wilt bekijken. Je moet de het op zijn beloop laten, met de windvlagen die je zijdelings op de auto voelt, 'To catch the heart offguard and blow it open'. 

Die prachtige laatste regel komt, los van het gedicht, ook in andere catalogi voor, als een soort motto, en dat is niet vreemd. De wind die onverhoeds het hart openblaast, ontvankelijk maakt. Zo wordt die wind als het ware een metafoor voor de manier waarop kunst ontstaat, niet alleen de poëzie van Heaney, maar ook het werk van Tjibbe Hooghiemstra en Arno Kramer. Het komt, vreemd genoeg, dichtbij het klassieke idee van de ‘in-spiratie’, in de letterlijke betekenis van de ‘inblazing’, iets dat over je komt zonder dat je het kunt sturen of controleren. En als het hart zich openstelt, wordt kunst wat zich aandient, wat de wind meebrengt: een bestaand beeld of een nieuw beeld, een herinnering, een situatie, een waarneming, gedachten, emoties, associaties. Daaruit ontstaat, op miraculeuze wijze, een tekening, een plek waar die bewuste, halfbewuste en misschien onderbewuste dingen samenkomen in een beeld. ‘Gestolde gedachtenspinsels’, noemde Bas Roodnat het werk van Tjibbe Hooghiemstra en Arno Kramer betitelde zijn tekeningen ooit als ‘geheimplaats’. Niet alleen voor ons als kijkers, maar vaak ook voor hemzelf.




             Ja, zult u nu misschien tegenwerpen, dat is allemaal mooi om te weten, maar het lost ons Ostia-probleem niet op. En daar hebt u gelijk in. Want als die beelden uit de binnenwereld zelfs voor de maker al niet altijd rationeel verklaarbaar zijn, hoe kan dan van ons, eenvoudige kijkers, worden verwacht dat wij er chocola van maken? Uiteindelijk, het blijft de binnenwereld van de kunstenaar, niet de onze. Wij hebben een andere geschiedenis, andere reizen gemaakt, over andere dingen nagedacht. En als we sommige beelden al herkennen, of menen te herkennen, betekent dat niet dat ze voor ons een andere gevoelswaarde zullen hebben? Moet een beeld ons eerst worden uitgelegd voordat we het kunnen waarderen? Is een tekening die alleen maar begrepen wordt door de kunstenaar zelf eigenlijk niet een mislukte tekening? Heel goed mogelijk.

          Maar soms gebeurt er ook iets anders. Dan stijgt een beeld uit boven dat strikt persoonlijke. Dan gaat het niet alleen meer over de kunstenaar, maar ook over ons, zo lijkt het wel. Het krijgt het iets universeels. Maar of dat gebeurt, hangt ook van onszelf af. Het gebeurt alleen als wij, op onze beurt, bereid zijn om ons open te stellen voor wat zich, op dat vel papier of op dat doek, aandient. Als we die zo menselijke neiging om te willen verklaren en te willen begrijpen even uit kunnen schakelen. Het tijdelijk opschorten van het ‘waarom’. Dan kan het zijn dat dat beeld ons opeens niet meer zo vreemd voorkomt, maar dat het ergens van binnen weerklank vindt. Dat we dat geheim misschien niet kunnen doorgronden, maar er, onwillekeurig, wel iets in herkennen. Alsof diezelfde wind ook even door ons waait. En misschien is dat wel het kenmerk van goede kunst: dat het in staat is om je deelgenoot te maken van het geheim.

Het vreemde is dat dat geen tijd kost. Je weet het al voordat je überhaupt de kans hebt gehad om na te denken. Want het beeld heeft zijn uitwerking, meteen. Je weet of je het mooi vindt of misschien niet zo mooi, of het goed is of misschien niet zo goed.




Voor wie nu de draad dreigt kwijt te raken een ander waargebeurd verhaal. Een poos geleden kwam ik samen met een bevriend museumdirecteur terecht in het atelier van een kunstenaar. We kwamen eigenlijk iets anders doen, maar ik begreep dat het de bedoeling was dat er een schilderij zou worden aangekocht. Aan de wand hingen vijf grote doeken. We keken ernaar, niet eens heel ingespannen of geconcentreerd. En toen de kunstenaar even koffie ging zetten, kruisten onze blikken elkaar en knikten we in dezelfde richting. Die daar. Dat is de beste.

Als er al een oplossing bestaat voor het Ostia-probleem, dan is het misschien wel dit. Het besef dat een beeld, net als muziek, ‘pre-rationeel’ is. Dat het heel goed mogelijk om iets mooi, of boeiend, te vinden nog voordat je er iets van ‘begrijpt’. Dat die lijnen, die kleuren, die vormen appelleren aan iets anders dan aan de drang om te verklaren. En dat het kijken naar kunst eigenlijk daarover gaat.   

          Tenslotte nog één ding. Van Heerenveen naar Groningen loopt de A7. Van Groningen naar Heerenveen ook. De A7 is niet echt een bijzondere weg. Meestal gewoon dom rechtdoor, met een paar flauwe bochten, groen aan weerskanten, wat rijtjes bomen, struikjes, paar koetjes hier, paardje daar. Niets aan de hand. Maar als je ter hoogte van Marum bent en naar rechts kijkt, staan daar in dat weiland, in het groen, twee kamelen. En ik ben weet zeker dat die kamelen in dat weiland op de een of andere manier iets te maken hebben met het voorafgaande. Maar wat precies, daar ben ik nog niet uit. Dat laat ik graag aan u over, de volgende keer dat u naar Heerenveen rijdt. Of naar Groningen.


Voor nu wens ik u eerst veel plezier met deze tentoonstelling. 

zaterdag 7 oktober 2017

VERGETEN (3): ART NOORD OP OMROP FRYSLAN




Nog meer achterstallig onderhoud. Op de opening van Art Noord, de kunstbeurs die van 21 t/m 24 september werd gehouden, was ook Omrop Fryslan vertegenwoordigd, die gesprekjes hield met de organisatoren, standhouders en bezoekers. Van het overvloedige materiaal bleef uiteindelijk maar een paar minuten over, maar dat is de moeite waard om ook op KFN behouden te blijven.


Klik HIER om de video te bekijken