donderdag 19 september 2019

‘ONTROERING IS MEER DAN HET WETEN’





De collectie Thom Mercuur als zelfportret


Antiekhandelaar, palingvisser, restauranthouder, conservator, uitgever, galeriehouder, museumdirecteur. Soms leek het wel alsof journalisten een wedstrijd hielden wie de langste lijst kon maken van dingen waarmee Thom Mercuur (1940-2016) zich in de loop van zijn leven allemaal had beziggehouden. En het was waar, er zullen weinig mensen zijn met zulke uiteenlopende activiteiten als Mercuur. Maar het meest van al was hij toch kunstverzamelaar, zijn hele leven. Altijd was hij op zoek naar kunst, ‘zijn’ kunst. In de grillen van de kunstmarkt, het laatste en het nieuwste, was hij niet geïnteresseerd. Wat hij zocht was kunst die hem paste, waarin hij iets van zichzelf terugvond. Voor Mercuur was kunst verzamelen een eindeloze ontdekkingstocht, dwars door Friesland maar ook dwars door de tijd. Hij kocht werk van de kunstenaars met wie hij jarenlang optrok en die hij ooit een eigen museum beloofde, zoals Sjoerd de Vries en Boele Bregman, maar ook van kunstenaars van wie amper iemand had gehoord, maar die volgens hem meer aandacht verdienden dan ze kregen. Hij speurde naar interessante kunstenaars die op de een of andere manier waren zoekgeraakt in de pagina’s van de kunstgeschiedenis en die kocht hij, voor zichzelf, soms om weer te verkopen, en later voor zijn museum.



KUNST IS EMOTIE


‘Autodidactisch kunsthistoricus’, zo noemde hij zichzelf wel. Enige ironie was daaraan niet vreemd, want voor hem betekende ‘kunsthistoricus’ weinig meer dan dat hij evenzeer was geïnteresseerd in oudere als in hedendaagse kunst. Het houden van uitgebreide theoretische verhandelingen en betogen daarover liet hij graag over aan anderen. Voor hem was kunst in de eerste plaats emotie. ‘Zo gauw kunst alleen maar verstandelijk of technisch is, dan laat ik het liggen. Het moet mij een gevoel geven. Mensen vragen me wel eens wat ik aan die kunst vind, maar dat weet ik niet! Het niet weten kan fascinerender zijn dan het weten. Ik verbaas mij. Een kind verbaast zich. Maar bij verbazing kun je nooit zeggen waarom en daarom.’

Huub Mous vertelt op zijn blog dat Thom Mercuur en hij ooit een discussie voerden over de vraag of je om kunst kon huilen. Mous vond van niet. Huilen doe je om mensen, niet om kunst. Thom vond dat helemaal niet vreemd. Sterker nog, hij had het vaak gedaan, zei hij. Voor wie hem heeft gekend zal het niet als een verrassing komen. Voor Mercuur was kunst niet iets dat op zichzelf stond, maar dat onverbrekelijk was verbonden met menselijke emotie. Zijn emotie. Voor hem moest kunst over mensen gaan en dat was ook zijn voornaamste criterium in wat hij kocht en verzamelde. Hij koos uit de kunst wat hem raakte en negeerde de rest. En dat betekende dat er voor surrealisme, Fluxus, videokunst, minimalisme, conceptuele kunst en andere rationele en meer intellectueel gerichte kunstvormen geen plaats was, niet in zijn collectie en niet in zijn museum. Thom ‘had er niets mee’, en dat was voor hem reden genoeg.  





ZELFPORTRET


Als kunstverzamelaar was Mercuur een ‘amateur’, maar dan wel een in de meest letterlijke zin van het woord. Hij was een liefhebber, een man met een passie voor kunst, maar alleen met die kunst die een directe weerklank vond in hemzelf. Zijn collectie en zijn museum waren een afspiegeling zijn van eigen persoonlijkheid, van zijn smaak en artistieke voorkeuren. Binnen die grenzen had hij een scherp oog voor kwaliteit, waarbij hij zich weinig gelegen liet liggen aan reputaties, trends, hypes en de waan van de dag, Kunst moest eerlijk zijn, zonder pretentie en zonder effectbejag, gemaakt vanuit een herkenbaar gevoel. En die kunst vond hij, behalve in ‘zijn’ Friese kunstenaars, in het Noord-Europees expressionisme, de Vlaamse school van Sint Martens Latem en in naïeve kunst en outsider art. Hij kocht alleen die werken die de specifieke kwaliteiten bezaten waarnaar hij op zoek was, soms maar een enkel schilderij van een kunstenaar, en daarbij was het van geen belang hoe hoog die in de kunstgeschiedenis stond aangeschreven.

Wanneer een verzameling die op zo’n subjectieve basis is bijeengebracht plotseling wordt gepromoveerd tot museumcollectie, kan kritiek niet uitblijven. De collectie Mercuur, zo werd gemopperd, was eigenlijk een ratjetoe waarin iedere ordening of systematiek ontbrak. En strikt formeel gezien was dat ook zo. Het was geen verzameling die op verantwoorde wijze langs kunsthistorische lijnen was opgebouwd. Wat al die schilderijen en objecten verbond was niet meer dan een mentaliteit, een sensibiliteit en een manier van kijken die nog het best duidelijk wordt als men het begeleidende boek bij zijn afscheidstentoonstelling Eb en Vloed uit 2010 doorbladert. Los van het feit dat hier gekozen was voor een thema dat Mercuur na aan het hart lag, was het een heterogene expositie, grillig en eigenzinnig als de man zelf. Maar een ratjetoe was het niet. Al die objecten kwamen samen in een gevoelsmatige eenheid, een zelfportret van de samensteller dat getuige de reacties door een breed publiek werd herkend en gewaardeerd.




MERCUUR MUSEUM


Als Thom Mercuur veertig jaar jonger was geweest, was hij nu waarschijnlijk bestempeld als ‘influencer’, mensen die op sociale media een groot aantal volgers hebben en zo een belangrijke smaakbepalende rol vervullen. En volgers had Mercuur in zijn tijd ook al genoeg. Kunstliefhebbers en kunstkopers lieten zich graag door hem leiden, omdat hij als geen ander geestdrift kon opwekken voor kunst die hemzelf na aan het hart lag. Het resultaat was dat veel van zijn persoonlijke voorkeuren werden weerspiegeld in lokale verzamelingen. Voor veel mensen was hij de personificatie van de Friese kunst, de man die in belangrijke mate verantwoordelijk voor het ontstaan van een canon van Friese kunst in de twintigste eeuw. Thijs Rinsema, Tames Oud, Dora Tuynman, Jentje van der Sloot, het waren allemaal kunstenaars over wie jarenlang maar één enkel boekwerkje te krijgen en dat was steevast uitgegeven door zijn uitgeverij De Drijvende Dobber.

In 2004 kreeg hij eindelijk zijn museum en zijn verzameling vormde de basis van de collectie. Het ‘Mercuur museum’ was eindelijk een feit. Zijn kunst was zijn zelfportret, en zijn museum was dat ook. Toen hij in 2008 terugtrad als directeur, kon Museum Belvédère een groot deel daarvan in eigendom verwerven en sindsdien is de collectie Mercuur, ondanks alle schenkingen en aankopen van later datum, gezichtsbepalend gebleven voor het museum. Nog steeds waart de geest van Thom Mercuur door het museum. Gelukkig maar. Nog steeds gebeurt het dat je te midden van al die zachtaardige abstractie en impressionistische waddengezichten opeens iets heel anders tegenkomt, een schijnbare dissonant die toch niet uit de toon valt en die onmiskenbaar de eigenzinnige hand van Mercuur verraadt. Een piepklein schilderijtje van Douwe van der Zweep, de hondenkar van Chris Beekman, Willem Jurcka, de bollenvelden van Theo Lohmann, een prachtig naïef schilderijtje van de annunciatie door een Vlaamse schilderes van wie niemand ooit heeft gehoord, het zijn allemaal werkjes in geen ander museum zult tegenkomen. Echt ‘belangrijk’ zijn ze ook niet, maar ze brengen wel bij veel bezoekers een klein schokje van verrassing teweeg. Kleine kijkavontuurtjes. En dat was precies waar het Mercuur om te doen was. Want eerst komt het kijken, dan het ervaren en daarna pas het weten.





MOOI IS MOOI


Verzamelaars heb je in soorten en maten. Sommigen bakenen eerst een duidelijk verzamelgebied af en proberen vervolgens binnen die strikte grenzen een zo compleet mogelijke, of in ieder geval een representatieve, collectie bijeen te brengen zonder daar direct een persoonlijk oordeel aan te verbinden. Thom Mercuur was een ‘romantisch’ verzamelaar. Hij verzamelde wat hij tegenkwam. Mooi is mooi, dat was zijn enige criterium. En als hij iets mooi vond, kon hij dat met zoveel enthousiasme uitdragen dat mensen er ook van gingen houden.

Soms zou je willen dat we meer Mercuren hadden. En dan liefst zoveel mogelijk verschillende. Mensen met een scherp oog, die durven afgaan op hun eigen oordeel. Dwars en eigenwijs? Prima. Zolang ze maar eerst kijken. Het weten komt daarna wel.



Deze kleine hommage aan Thom Mercuur schreef ik, samen met twee andere stukken, voor de speciale Art Noord krant die binnenkort uitkomt. Maar het artikel was te groot, of de krant te klein, in ieder geval moest dit stuk wijken voor andere zaken.  
Ik hoop u allen te zien op Art Noord 3, van donderdag 26 t/m zondag 29 september in Museum Belvédère.
Dick Siersema

zondag 2 december 2018

IN MEMORIAM MARTIN TISSING



MARTIN TISSING 1936 – 2018

Ik kan me nog herinneren hoe ik, jaren geleden, voor het eerst bij Martin Tissing thuis kwam. Het was een novemberavond, het was donker, de gordijnen waren dicht. Vanaf het moment dat ik de woonkamer aan de Melkweg binnenstapte, bestond de buitenwereld niet meer. Het was alsof je, als in een sprookje, door een klein deurtje in een muur opeens in een tovertuin stond. Dit was, om met zijn eigen woorden te spreken, een klein universum. Een huis zonder wit, waarin alles zijn toon en zijn kleur had, met muziek van Monteverdi of Schumann, en waar je ook keek kunst: schilderijen, objecten, etnografica, volkskunst. Op het eerste gezicht had het wel wat weg van een achttiende-eeuws rariteitenkabinet, vol exotische voorwerpen bijeengebracht op een eiland in de beschaafde wereld. Maar tegelijkertijd ademde het ook een soort gemeenschappelijkheid, de expressie van een universele drijfveer die ten grondslag ligt aan alle kunst, en die uitstijgt boven de beperkingen van de eigen tijd en de eigen samenleving. En misschien dat het daardoor kwam dat de madrigalen van Monteverdi op een onverklaarbare manier harmonieerden met de Afrikaanse maskers, en dat de Hopi-beeldjes uit Noord-Amerika zich niet ongelukkig leken te voelen bij de pianomuziek van Schumann.
 Als kunstenaar was Martin Tissing altijd diep doordrongen van het besef van traditie en verwantschap. Voor hem was het ondenkbaar dat iemand zou kunnen, of willen, schilderen zonder zich bewust te zijn van al die grote en kleine meesters die hem voorgingen. Dwars door de tijd zijn ze allemaal, zoals hij zei, ‘familie’. Hun werkwijzen en uitdrukkingsvormen mogen verschillen, wat hen bindt is het pogen om uitdrukking te geven aan wat de mens beweegt tussen hemel en aarde. De geschiedenis van de kunst was voor Martin geen verhaal van evolutie en vooruitgang. Voor hem was het eerder is het één groot atelier, waar de tijd niet bestaat en waar schilders uit alle eeuwen bezig zijn, op hun eigen manier, hun visie op het menselijk bestaan te verbeelden. Het is een pantheon van makers in een dwaaltuin, waar ieder die is toegerust met verbeeldingskracht zich eindeloos kan verwonderen.
Wanneer hem gevraagd werd wie van al die metgezellen in de kunst de meeste invloed op hem heeft gehad, noemde Martin zonder aarzelen de naam van Jaap Nanninga, de Winschoter schilder die in de jaren vijftig in Den Haag uitgroeide tot een van de meest invloedrijke kunstenaars van zijn tijd. De periode dat hij Nanninga heeft gekend was voor hem van cruciale betekenis en hij bracht zijn bewondering tot uitdrukking in titels van zijn eigen werken. Hij schilderde ook een eerbetoon aan Hendrik Nicolaas Werkman en droeg een aantal werken op aan Job Hansen, die hij als jong schilder nog had ontmoet en die hem met zijn werk en zijn persoonlijkheid de weg had gewezen naar het kunstenaarschap.
In de tijd heeft Martin Tissing zijn eigen vorm gevonden. En zoals we ons bij het zien van zijn werk bewust worden van de traditie waaruit het is voortgekomen, zo merken we, tot onze verbazing, dat we ook het werk van al die anderen niet meer kunnen zien zonder ook aan hem te denken.
Zijn werk zoals we dat nu kennen ontstaat in het begin van de jaren tachtig, als de vormen steeds eenvoudiger worden en de kleur steeds belangrijker. Zijn schilderijen worden steeds meer reflecties van de schilder zelf. Het zijn spiegels van zijn eigen gemoedstoestand, een autobiografie in tinten: ‘Echte kleur, dat ben je zelf’.
Dan verschijnen ook de sterren. ‘Het gaat niet om de ster zoals wij die zien’, legde hij dan uit, ‘maar om de ster als begrip: de ster die wij denken, als droom, als verlangen.’ Sterren als metafoor, op een uitspansel van kleur. Het gezicht van de kosmos.
‘Ik tracht het exterieur tot mijn interieur te maken’ schreef hij in zijn prachtige Schriftje. En uiteindelijk blijft alleen het interieur over: de gedachte hemel. Het zijn beelden die zich hebben losgemaakt uit de materie, en iets weerspiegelen van die meerwaarde van het leven die we, bij gebrek aan een betere omschrijving, aanduiden met het woord ‘poëzie’. Niet dat dat veel duidelijk maakt. ‘Poëtisch’, ‘lyrisch-abstract’, ‘mystiek’, al die termen die zo vaak zijn gebruikt om zijn werk te omschrijven, het blijven niet meer dan etiketten die de onmacht van de taal moeten maskeren wanneer we proberen de essentie van beeldende kunst in woorden te vangen. En dan nemen we, noodgedwongen, onze toevlucht tot metaforen. ‘Ik tracht in mijn werk te komen tot gestolde stilte,‘ zei Martin lang geleden. En in het beste geval voelen we aan, denken we, wat hij bedoelt. Gestolde stilte. Maar wat doen we in die stilte?
‘People should be forced to meditate’, zei Mark Rothko. Maar mensen hoeven natuurlijk niets. Ze mogen ook gauw doorlopen naar het volgende schilderij, of naar de volgende tentoonstelling. De werken van Martin Tissing dringen zich niet op. Maar als we ze de tijd en de aandacht geven waar ze om vragen, dezelfde aandacht waarmee ze werden gemaakt, ja, dan kan het zijn dat uit die gekleurde stiltes verwondering opklinkt, tederheid en onschuld, al die breekbare dingen die we van binnen meedragen, maar die in de luidruchtigheid van alledag zo vaak dreigen weg te zakken. En als we oog in oog staan met deze eilandjes van kleur, lijkt het of we er iets van in onszelf terugvinden. Dus toch: kunst als meditatie. En als we nog langer kijken, worden het emblemen van de schoonheid en de troost. Of liever, van de troost in de schoonheid. Want dan zien we ze voor wat ze zijn: pogingen om uit te stijgen boven de grijsheid en de vluchtigheid van het bestaan, een reiken naar de hemel, met, onvermijdelijk, een ondertoon van melancholie. Martins werk is poëtische kunst in een onpoëtische tijd. Maar het geeft uitdrukking aan iets dat, misschien, van alle tijden is: een verlangen naar een verloren paradijs.
Maar zelfs dat is een metafoor.

*   *   *


Martin Tissing overleed op 23 november 2018



vrijdag 7 september 2018

Martin Tissing - 'De weg naar Tibet: 15 aquarellen en een tekening' - uitnodiging + preview






UITNODIGING





Graag nodig ik u uit voor de eerste presentatie op de nieuwe Prentwerk locatie aan het Nieuwe Kerkhof 40, Groningen




MARTIN TISSING









De weg naar Tibet



15 aquarellen en een tekening








Omdat het Prentwerk souterrain aan het Nieuwe Kerkhof helaas niet voldoende ruimte biedt om heel veel mensen tegelijk te ontvangen is, om iedereen toch gelijke kansen te bieden, gekozen voor een andere opzet van de expositie. In plaats van de traditionele opening waarbij iedereen op hetzelfde tijdstip komt, zijn alle werken in de tentoonstelling ook te zien in een digitale preview. Vanaf een week voor aanvang tot het einde van de tentoonstellingsperiode zijn ze online te zien, en direct te koop.  Ook is het mogelijk om per mail een optie van drie dagen nemen op een werk en het werk eerst te komen bekijken. Verkopen en opties, met bijbehorende aflooptijd, worden op de website vermeld.






Vanaf dinsdag 18 september bent u van harte welkom om de expositie, op afspraak, aan het Nieuwe Kerkhof te komen bezichtigen.

 De tentoonstelling is te zien t/m 13 oktober

         Contact:   Dick Siersema  t 06 14 170 171   e     info@prentwerk.nl



Klik HIER voor de preview van de werken in de expositie, of ga naar www.prentwerk.nl >> 'Noordkunst' >> 'Martin Tissing'






prentwerk art & art books

Nieuwe Kerkhof 40   9712 PX Groningen
T   06 14 170 171   e   info@prentwerk.nl
Contact:   Dick Siersema

www.prentwerk.nl





dinsdag 21 augustus 2018

OH, PAULA!



'Je loopt in een kringloopwinkel, op een rommelmarkt, of op de kijkdag van een veiling. Opeens  zie je uit een ooghoek iets dat op de een of andere manier je aandacht trekt. Je kijkt iets beter, en een licht gevoel van opwinding maakt zich van je meester. Is dat een …?  Dat zal toch geen… ? Hoe komt dat hier terecht?  En waarom zo goedkoop?
Dat is het moment dat je heel erg moet gaan oppassen: het Klappergevoel sluipt binnen. Want daar kon wel eens iets heel bijzonders, en misschien wel iets heel waardevols, hangen. En jij bent blijkbaar de enige die dat in de gaten heeft. Je gaat een Klapper maken!
Iedereen in de kunsthandel kent het klappergevoel, de euforie als je denkt dat je iets hebt ontdekt dat niemand anders heeft opgemerkt. Hoe alle rationele overwegingen even dreigen te worden overspoeld door de opwinding van het moment en hoe je vanaf dat moment alleen nog maar wilt dat het is wat je denkt dat is.' 


Dit waren de eerste alinea's van een stukje dat ik voor KFN schreef in 2012. Het was een goedbedoelde waarschuwing, uit ervaring, dat als iets te mooi lijkt om waar te zijn, het meestal ook niet waar is. En zeker niet op veilingen en kijkdagen.

Hoewel …

*   *  *

Een paar weken geleden werd op veilingsite Catawiki een kavel aangeboden met zeven 'grafieken' van een 'onbekende Russische kunstenaar'. Echt veel belovend klonk dat niet, maar er was wel iets bekends aan het bijbehorende plaatje dat maakte dat ik toch doorklikte naar de andere foto's en de beschrijving. En toen weerklonk er een forse krachtterm in huize Prentwerk. Want dat waren helemaal geen prenten van een onbekende Russische kunstenaar. Dat waren zeven etsen van Paula Modersohn-Becker! 

Onmiddellijk stak het klappergevoel de kop op. De inbrenger wist niet wat hij aanbood, de veilingmeester had ze niet herkend. En het onvolprezen Artprice leerde dat etsen van Paula, zelfs posthume drukken, op Duitse veilingen goed zijn voor zo'n tweeduizend euro per stuk. En dat maal zeven, mind you.

De dagen daarop werden gevuld met wat politiewoordvoerders op het journaal 'ouderwets speurwerk' plegen te noemen. Alle zeven prenten waren zonder veel moeite terug te vinden. Maar waren ze echt? Was er ooit een map met reproducties op dit formaat uitgegeven? Of een boek? Niets te vinden. Waren er, zoals bijvoorbeeld bij Käthe Kollwitz, ook posthume drukken? Dat bleek wel het geval. Sterker nog, op Artprice was geen enkele door Paula zelf gesigneerde ets te vinden. Alle ondertekende exemplaren waren geannoteerd door haar man, Otto Modersohn, die in 1919 bij drukker Otto Felsing in Berlijn nieuwe afdrukken liet maken, die hij in potlood voorzag van het opschrift 'f.[für] Paula Modersohn Becker - O. Modersohn'. Maar dat hij niet direct onder het beeld, maar lager linksonder op het blad. Het probleem was dat een overijverige lijstenmaker de bladen op vier punten op de achterkant van het passe-partout leek te hebben vastgelijmd. .Het was dus mogelijk dat er op de Catawiki-prenten wel degelijk een annotatie stond, maar dat je dat alleen kon vaststellen door het blad van het passe-partout los te maken. En daarvoor moest je ze wel in handen hebben. Het bleef een beetje een gok.






Het werd dus spannend. Het grootste deel van de week bleef het lot staan op 15 euro. Dat zag er goed uit.In het weekend, als de biedingen voorzichtig loskomen, liep het maar langzaam op. De eindtijd was zondagavond, even over achten. Om tien minuten voor acht stond het op 141 euro, met yours truly als hoogste bieder en een maximumbod van 900 euro. Een ruime marge, leek mij.

Maar af en toe moet men ook eten en aangezien ik had toegezegd dat ik even een maaltijd op zou halen, besloot ik de zaak op zijn beloop te laten en af te wachten hoe het zou uitpakken.  

Om tien over acht was ik weer thuis en op het gevaar af dat we een koude maaltijd zouden moeten nuttigen pakte ik natuurlijk meteen mijn Ipad. Wat was het geworden? Had ik veertienduizend euro verdiend?

Helaas. Tussen acht uur en tien over acht hadden drie overgebleven bieders, die hetzelfde hadden gezien als ik, hevig tegen elkaar opgeboden. Het kavel sloot uiteindelijk op 4400 euro.

De moraal van het verhaal: je kunt nog zo slim zijn, je bent nooit de enige (zucht).


zondag 5 augustus 2018

PRENTWERK AAN HET NIEUWE KERKHOF



Beste KFN-lezers,

De tijden veranderen, en wij veranderen mee. We sluiten dingen af, en beginnen iets nieuws. Dit is niet, mocht u dat denken, het begin van een stichtelijk woord over de zin des levens en het verval der zeden, maar een inleiding tot een tamelijk feitelijke mededeling. Ik ben namelijk verhuisd, en Prentwerk dus ook. En daarmee Kunstforum Noord.

Na vele jaren Folkingestraat en Vismarkt was Prentwerk sinds 2011 alleen nog online te vinden, op www.prentwerk.nl. Maar sinds twee maanden heb ik weer een plek in de stad en daar ben ik blij mee. Net buiten de diepenring, in de serene rust van het Nieuwe Kerkhof. Die letters op de foto staan niet echt op de gevel, want daar krijg je gedonder mee, maar ze geven wel aan waar ik nu verblijf houd: in de intieme setting van het grote souterrain van nummer 40. Een soort verborgen schatkamer in een oud pand dat niet probeert met de tijd mee te gaan. 

De afgelopen tijd ben ik bezig geweest de uitgebreide Prentwerk collectie te ordenen en uit te stallen. En als alles wat je in jaren hebt verzameld je weer eens door de vingers gaat, besef je het even weer: dit mag gezien worden. Niet dat ik op vaste dagen ga zitten wachten of er misschien ook iemand komt. Dat heb ik lang genoeg gedaan, vind ik eigenlijk. Maar een mail (info@prentwerk.nl)of een telefoontje (06 14 170171) is genoeg voor een afspraak. En dan is ieder van harte welkom.

In september wil ik hier de eerste presentatie organiseren (tentoonstelling is misschien een te groot woord), met aquarellen van Martin Tissing. Daarover binnenkort meer (abonneer u in het vakje rechtsboven).. 

Om u alvast een idee te geven heb ik een kort filmpje gemaakt:




Klik op de afbeelding om de video te starten

dinsdag 12 juni 2018

HOMMAGE AAN ARIE DE GROOT (1937-2016)



Een opmerkelijke, en zeer fraaie, tentoonstelling bij Galerie Hoogenbosch in Gorredijk: 'Van vervreemding naar verwondering', een eerbetoon aan de in 2016 overleden Rotterdamse kunstenaar Arie de Groot. Ooit twee exposities bij Prentwerk in Groningen, maar voor het eerst te zien in Friesland. Daarom een kort filmpje om duidelijk te maken dat u wel even moet gaan kijken. Zou ook mooi passen in een museum in de buurt van Heereveen. Tot 1 juli.


woensdag 6 juni 2018

LOS VAN DREWES DE WIT




Is het u wel eens opgevallen, beste KFN-lezer, dat als, op televisie of in kranten en tijdschriften, een kunstenaar gevraagd wordt om iets te vertellen over zijn (of haar) werk, hij al heel gauw niet meer praat over wat daar aan de muur hangt, maar in de eerste plaats over zichzelf? Over zijn ideeën, zijn wereldbeeld, zijn gemoedstoestand, zijn verbeelding? Daar lijkt een idee aan ten grondslag te liggen dat je dat werk niet goed kunt begrijpen als je niets over wie het heeft gemaakt. Dat al die schilderijen aan de muur eigenlijk stukjes van hemzelf zijn, een afspiegeling zijn van zijn binnenwereld en dat je, wil je iets van die schilderijen snappen, ook iets moet begrijpen van die binnenwereld. Dat al die werken aan de muur, en al het andere dat hij heeft gemaakt, eigenlijk een zelfportret vormen.

Het is een concept van de kunstenaar dat teruggaat tot de Romantiek. Er zijn veel van zulke kunstenaars, vroeger en nu. En, om misverstanden te vorkomen, er zijn door die kunstenaars schitterende werken gemaakt. In zekere zin is het ook een bevestiging van hoe veel mensen de kunstenaar willen zien, als mysticus, als profeet, of op zijn minst als geprangde ziel die zijn innerlijk leven tot uitdrukking tracht te brengen in zijn werk. Dat romantische beeld is zo wijdverbreid dat je soms bijna zou denken dat het een definitie van kunst is. Maar dat is niet zo. Het is geen norm. Hoe populair ook, het is niet meer dan één van de vormen waarin de kunst en de kunstenaar zich manifesteert. Er zijn ook heel andere, er zijn ook uitzonderingen. En vanmiddag kijken naar een van die uitzonderingen: Drewes de Wit.




Want als je Drewes vraagt om iets te zeggen over zijn werk, krijg je iets heel anders te horen. Dan vertelt hij vol verve over zijn materialen, over verfsoorten en hun eigenschappen, over ingrepen en experimenten, over het proces dat uiteindelijk leidde tot het schilderij dat wij zien. Er is één onderwerp dat angstvallig buiten beeld wordt gehouden: Drewes de Wit. En dat is ook hoe hij het wil. Want als hij het over een werk heeft, spreekt hij vaak van een ‘object’. En in zekere zin is dat een sleutelwoord tot zijn kunst. ‘Object’ suggereert ‘objectief’. Objectieve kunst. Nu zijn ‘objectieve kunst’ of ‘subjectieve kunst’ geen termen die in de kunstgeschiedenis worden gehanteerd. Maar toch zeggen ze in dit verband iets essentieels over het werk waar we naar kijken. ‘Subjectieve kunst’ heeft te maken met persoonlijke expressie: de schilder schildert zichzelf. Voor zijn werk put hij uit een soort innerlijk reservoir en daar probeert hij op het doek uitdrukking aan te geven. Schilderkunst als spiegel.

Bij wijze van contrast wil ik graag Drewes de Wit zelf aan het woord laten. In 2011 heb ik lange gesprekken met hem gevoerd voor de eerste grote monografie over zijn werk en daarin heb ik het volgende citaat opgenomen: 

‘Bij mij komt een schilderij niet van binnenuit, of van buitenaf. Voor mijn werk heb ik niets aan wat ik vind of voel, wat ik heb gelezen of heb meegemaakt. Buiten het schilderij zelf is er heel weinig dat mij aanleiding geeft tot schilderen. Het beeld moet op zichzelf kunnen staan. Ik heb het gemaakt, maar ik ben het niet.’

Het is een veelzeggende uitspraak en hij verklaart, in een parafrase, ook de op het eerste gezicht enigszins mysterieuze titel van deze tentoonstelling: ‘Los van mij’. De schilderijen zijn er, en Drewes de Wit is er ook. Maar de werken moeten het zelf doen. Los van hem.

Op dit punt zal het u niet verbazen dat het werk van Drewes de Wit zijn wortels heeft in de fundamentele schilderkunst, een stroming in de tweede helft van de jaren zeventig die zich afzette tegen dat idee van kunst als persoonlijke expressie, maar die bovenal de nadruk wilde leggen op de handeling van het schilderen zelf, op het materiaal en op de processen die daarbij een rol speelden. Er bestaat een jeugdfoto van Drewes waarop hij met een kwast van meer dan een meter breed, met zwarte verf, langs een witte muur loopt en zo een brede lijn achterlaat, van dik naar dun, tot de verf op is. Idee, concept, performance, action painting. Fundamentele schilderkunst!





Wilde tijden, jazeker! Maar, zoals bij de meesten van ons, duurden dat soort radicale experimenten nooit heel lang. In de jaren daarna, toen de fundamentele schilderkunst enigszins was uitgewoed, verschoof ook Drewes de Wit zijn aandacht van de pure handeling naar wat die handeling uiteindelijk als beeld opleverde. Kunst om naar te kijken.Toch bleef er een constante in zijn werk. Het bleef altijd een vorm van onderzoek naar de wisselwerking van materiaal en beeld. 



En zo gaat het nog steeds, hoe verschillend de resultaten over een langere periode bezien ook mogen zijn. Hij gaat nog steeds op dezelfde manier te werk. Hij ’bevraagt’ het materiaal, zoals hij het noemt. Soms gaat hij mee in de eigenschappen, soms gaat hij er juist dwars tegenin, hij wacht af wat er gebeurt, hoe het uitpakt qua beeld en het resultaat bepaalt zijn volgende stap. Hij poetst weg, schuurt, brengt een nieuwe laag aan en kijkt hoe die reageert. Het is een proces waarbij de kunstenaar stuurt, maar soms ook gestuurd wordt, waarin hij richting geeft, maar soms ook dankbaar het toeval accepteert.

En dan komt er ergens in dat proces dat euforische moment. Dan stopt het proces. Niet abrupt of geforceerd, maar op een natuurlijke manier. Dat is het moment waarop een werk zijn voltooiing vindt, waarop de kunstenaar ’ziet dat het goed is’. Het werk heeft zijn vorm gevonden. En dan daalt er een stilte neer. Zoals Matisse het noemde, ‘du calme’. Er is iets monumentaals ontstaan dat rust geeft. Een werk dat de kunstenaar niet meer nodig heeft. ‘Objectieve kunst’.

Ja maar, zult u nu misschien tegenwerpen, maar wie bepaalt dat? Wie beslist wanneer een werk af is en je er niets meer aan moet doen? De kunstenaar toch zeker? En is dat dan geen subjectieve keuze? Jazeker, daar hebt u gelijk in. Want het is de keuze van het moment die de kwaliteit van het werk bepaalt en maakt dat een werk herkenbaar is als ‘een’ Drewes de Wit. Maar ‘los van hem’, dat wel. 



Uit het voorafgaande zou je gemakkelijk het idee kunnen krijgen dat het werk van Drewes de Wit analytisch van aard is, dat iedere emotie zorgvuldig is uitgebannen. Koel en zakelijk. Maar het tegendeel blijkt het geval. Keer op keer blijkt uit de reacties van mensen op zijn werk dat ze erdoor worden geraakt, dat die verstilling in vorm en kleur, zonder enige verwijzing naar het menselijk gewoel, juist een diepe indruk op hen maakt. En als hen dan gevraagd waarom precies, vallen er, zij het vaak wat aarzelend, toch termen als ‘verstild’, ‘meditatief’ en zelfs ‘poëtisch’. Van Drewes de Wit mag het allemaal. Erger nog, hij is er best blij mee, want een werk dat niemand raakt is een zinloos werk. Maar het blijft allemaal wel voor onze rekening. 

Wie in Groningen in de Kostersgang op zoek gaat naar het atelier van Drewes de Wit, komt bij een grote groene deur. Daarop hangt een bordje ‘werkplaats’. En dat is misschien wel de meest beknopte karakterisering van de kunst die we hier vanmiddag bekijken.






[Openingswoord bij de tentoonstelling 'Los van mij' in de Ijsselsalon, Zutphen]