maandag 26 januari 2015

CULTUURDOCUMENTAIRES STICHTING BEELDLIJN UITGEZONDEN OP PODIUM TV


Podium TV. Nooit van gehoord? Niet zo heel vreemd, want ik tot voor kort ook niet. Podium TV is een  commerciële televisiezender die bestaat sinds 2014 en die zich, volgens de eigen website, richt op (regionale) sport en alle vormen van cultuur, zoals muziek, theater, kunst en folklore. De zender is te ontvangen in Groningen, Friesland, Drenthe en een groot deel van Overijssel.
Als je de programmering bekijkt, is het misschien een beetje een allegaartje, met wel erg veel sport, maar de woensdagavond is, onder de titel ‘Noorderdiepte’, gereserveerd voor cultuur. Daarvoor is Podium TV is samenwerkingsverband aangegaan met het tijdschrift Noorderbreedte en de Stichting Beeldlijn, nu al meer dan bijna dertig jaar producent van documentaire films over het culturele, sociale en politieke leven in het Noord Nederland. (www.stichtingbeeldlijn.nl), waarvan vele, zoals die over Gerrit Krol, Rutger Kopland en de Ploeg, ook landelijk zijn uitgezonden. Iedere woensdag wordt een Beeldlijn productie uitgezonden, in blokken op het hele uur, voorafgegaan door een kort inleidend  gesprek dat Lejo Siepe voert met betrokkenen of ter zake kundigen.
Natuurlijk, ook op Podium TV valt een hoop af te dingen, maar zolang wij het in Groningen moeten doen met RTV Noord, een omroep die gedurende de afgelopen jaren met succes vrijwel alle cultuur uit hun uitzendingen heeft weten te bannen en de toch al schaarse zendtijd liever spendeert aan volstrekte onbenulligheden als Klouk en Dam Op, verdient Podium TV, in ieder geval voorlopig, het voordeel van de twijfel.
Vanmorgen zijn er, in de onvolprezen brasserie Zomers aan de Vismarkt in Groningen, opnamen gemaakt voor de komende maanden. Yours truly praat over de documentaire Kleuren van stilte, over Martin Tissing, en over de film bij de tentoonstelling Jong in Groningen, waarin Henk van Os de kunstenaars uit zijn jonge jaren voor het voetlicht haalt, en Martin Tissing zelf levert commentaar bij een film over Werkman uit 1963, die zal worden uitgezonden in het kader van de Werkman-tentoonstelling die in april opent in het Groninger Museum.
Kleuren van Stilte wordt komende woensdag uitgezonden, zie verder de programmering op de websitewww.podium.tv.
Podium TV is te ontvangen via Ziggo/UPC op kanaal 39. Wie een andere provider heeft, kan terecht op de website.

maandag 21 januari 2013

WAARHEEN, PICTURA?





De grote zaal van het Kunstlievend Genootschap Pictura aan het Martinikerkhof in Groningen was afgeladen vol op zondag 6 januari, bij de opening van de gecombineerde jubileumtentoonstelling van uitgeverij Philip Elchers en kunstenaar Hans Boer. Philip Elchers viert het, ongeveer, vijfentwintigjarig bestaan en Hans Boer toont tien jaar beeldend werk.

 Het openingswoord werd gesproken door Han Steenbruggen, die, hoe kan het anders,  vriendelijke woorden wijdde aan de verdiensten van Philip Elchers en de artistieke ontwikkeling van Hans Boer, maar ook opnieuw gewag maakte van de wijdverbreide kaalslag die zich met het verdwijnen van galeries als Anderwereld, Smarius, Prentwerk en K09 in de noordelijke kunstwereld aftekent. Hij refereerde aan de rijke geschiedenis van Pictura, de plek waar niet alleen de Ploeg in de hoogtijdagen exposeerde, maar waar ook de avant-garde van die dagen al te zien was en benadrukte de betekenis die het genootschap voor de kunst in Groningen zou kunnen hebben [my italics, DS].




En daar zit het probleem. Als tentoonstellingsruimte is Pictura, naar hedendaagse maatstaven, misschien niet ideaal . Het is zo ongeveer het tegenovergestelde van de moderne white cube, waarbij de omgeving zoveel mogelijk wordt geneutraliseerd om de volle aandacht op de kunst te richten. In Pictura vergeet je nooit waar je bent. Het gebouw zelf is altijd nadrukkelijk aanwezig, en de kunst is er te gast. Maar het pand, met al zijn wat ongelukkige gangetjes, trapjes en kamertjes en die ene grote zaal, heeft wel een sfeer en een charme waardoor men bereid is allerlei kleine ongemakken voor lief te nemen.

Dat wil zeggen, als er iets te zien is dat de gang naar het Martinikerkhof de moeite waard maakt. De tentoonstellingslijst is ‘breed en diffuus’, schrijft de PABK, de Provinciale Adviesraad voor Beeldende Kunst, al in 2004 in haar (negatieve) advies met betrekking tot een subsidieaanvraag. In haar motivering wijst de raad ook op een aantal structurele tekortkomingen in de organisatie. Er is sprake van een ‘beperkte inhoudelijke visie’, er bestaat ’geen ‘scheiding van zakelijke een inhoudelijke verantwoordelijkheden: tentoonstellingen worden door het bestuur geïnitieerd’. Er is een gebrek aan ‘inhoudelijk gekwalificeerde medewerkers’, en er is te weinig betrokkenheid bij andere kunstinstellingen en ontwikkelingen binnen de hedendaagse kunst.

Inhet algemeen kunnen dit soort adviesorganen zich in kunstland niet in een al te grote populariteit verheugen, omdat ze adviseren vanuit een vrijblijvende theoretische visie en zich niet altijd rekenschap lijken te geven van de vele praktische problemen en beperkingen waarvoor kunstinstellingen zich gesteld zien. Maar de essentie van het verhaal, ook al dateert die uit 2004, lijkt nog steeds van toepassing. In het vasthouden aan traditionele vormen en structuren wordt Pictura steeds meer een anachronisme, een instituut dat weliswaar kan bogen op een indrukwekkende geschiedenis, maar dat de aansluiting met het heden dreigt kwijt te raken. Waar andere musea zich uitputten om mee te gaan in een veranderende tijd en hun aanbod aan beeldende kunst te voorzien van een breed scala aan randactiviteiten, volhardt Pictura in het geijkte patroon van opening + tentoonstelling, met het risico dat het aantal bezoekers op de opening tegelijk het leeuwendeel van het totaal uitmaakt. Geen wonder dat het beheer van het gebouw en de continuering van het Genootschap  voor het bestuur al jaren ‘een bron van permanente zorg’ zijn.  De vraag is hoe lang Pictura het op deze manier nog volhoudt.   




Toch hebben we Pictura meer nodig dan ooit. Het aantal plekken in de stad waar beeldende kunst wordt getoond is drastisch geslonken en hoezeer particuliere initiatieven in de provincie, zoals Kunstruimte Duurswold in Slochteren of Galerie Op de Wind in Westeremden, ook onze steun en waardering verdienen, het blijven projecten die al te vaak in hun goede bedoelingen blijven steken, waar op de dag van de opening de vrienden van de galeriehouder, de vrienden van de kunstenaar, plus nog een handjevol belangstellenden samenkomen om een klein feestje te vieren en waar vervolgens gedurende de rest van de tentoonstellingsperiode  amper nog een ziel te bekennen is.  Op deze manier wordt de hedendaagse kunst, letterlijk en figuurlijk, naar de periferie gedrongen.

Waar de kunst in de stad Groningen behoefte aan heeft, is  een centrale ruimte, een plek die als middelpunt kan fungeren, waar geregeld goede en interessante kunst te zien is, waar allerlei  activiteiten worden ontplooid en waar van een actieve betrokkenheid bij de cultuur inde stad wordt blijk gegeven. Die ruimte zou Pictura kunnen zijn.  Erger nog, het zou wel eens de enige manier kunnen zijn waarop Pictura in de toekomst kan overleven. Maar dat zal niet lukken zonder een drastische reorganisatie. Het bestuur zal zich moeten beperken tot wat het moet doen, besturen. Het  tentoonstellingsbeleid, de PR en de marketing moet in handen worden gegeven van creatieve mensen die op die terreinen over een daadwerkelijke expertise beschikken.  




In het verleden is er ooit, kortstondig, sprake geweest van een mogelijke samenwerking tussen Pictura en het Groninger Museum. Uiteindelijk heeft dat geen concrete resultaten opgeleverd, maar het moet wel duidelijk zijn dat samenwerking met andere instellingen voor Pictura een kwestie van levensbelang is.  Dat zou ook bijvoorbeeld Museum Belvedère kunnen zijn, of het Centrum voor Beeldende Kunst. Het zou kunnen dat Pictura in zulke vormen van samenwerking een deel van  haar autonomie zal moeten opgeven, maar het betekent wel dat Pictura overlevingskansen krijgt.

En misschien, als aan al deze voorwaarde wordt voldaan, dat ook de gemeente Groningen een helpende hand wil toesteken, omdat men beseft hoezeer het Kunstlievend Genootschap Pictura bij de stad hoort.    



maandag 7 januari 2013

WERKMAN TOCH HERDACHT

‘Als er iets misgaat, zijn de media er als de kippen bij, maar als er iets goed gaat, hoor je ze niet’ werd mij onlangs toegevoegd naar aanleiding van de onthulling van de plaquette-die-er-niet was voor de drukkerij van Hendrik Nicolaas Werkman in de Pelsterstraat in Groningen. Dat laat ik natuurlijk niet op mij zitten, dat snapt u. Daarom: de plaquette is inmiddels geplaatst! En voor ik ervan wordt beschuldigd dat ik uit wraak suggereer dat ze hem overdwars hebben neergehangen,  zoals hieronder: nee, het klopt helemaal, alleen lijkt het erop dat dit blog wraak neemt op mij door het plaatje een kwartslag te draaien. Komt goed in de Nieuwsbrief.  










zaterdag 1 december 2012

NOTITIES BIJ EEN KUNSTVEILING (2)



In de verzamelgeschiedenis van de Ploeg vallen twee lijnen te onderscheiden. De eerste werd ingezet in de jaren vijftig door Jos de Gruyter, die het artistieke belang van de kunstkring inzag, maar ook besefte dat dit belang grotendeels was gebaseerd op het vroege werk uit de jaren twintig, en niet, of in veel mindere mate, op de vaak omvangrijke productie van dezelfde schilders na die tijd. Dit gold in sterke mate voor Johan Dijkstra, die met een wasverf schilderij van een landschap bij Blauwborgje, met op de achterkant een afbeelding van het Reitdiep, het topstuk voor de veiling leverde. Het hoort misschien niet thuis in het linker rijtje, maar dan toch in ieder geval wel in de eredivisie van vroege Ploegwerken. Hier had een serieuze Ploegverzamelaar een belangrijk stuk aan zijn collectie kunnen toevoegen, want het gaat hier een werk van een kwaliteit die maar zelden op de markt komt. In het algemeen brengen, ondanks de economische malaise, topstukken hun prijs nog wel op, iets wat ook duidelijk werd bij het zelfportret aan de ezel dat in het voorjaar voor 35000 euro werd verkocht bij Methusalem in Assen en waarover in KFN Nieuws uitgebreid werd bericht. Maar, misschien omdat het qua beeld iets minder spectaculair was, bleef dit werk, met een limiet van 28000 euro, onverkocht. Helaas.


De tweede lijn is een meer formele benadering, die met name voor rekening van de kunsthandel komt. Op grond van de reputatie die de Ploeg en de Ploegschilders uit de jaren twintig hadden verworven, werden daarna ook latere werken van dezelfde kunstenaars onder hetzelfde label gepresenteerd als belangrijk, en dus kostbaar. Een goed voorbeeld  hiervan is lotnummer 254, 'Winterzon Paterswoldesemeer', eveneens van Johan Dijkstra, maar nu een werk uit 1945. Het is een tamelijk matig schilderij, herkenbaar door stijl en thematiek, naar geen werk dat zich kwalitatief onderscheidt van dat van vele andere schilders in die tijd. Een richtprijs van 20.00 - 30.00 euro lijkt dan ook buiten proportie, en eerder ingegeven door de naam van de kunstenaar dan door het werk zelf. Er werd, misschien begrijpelijk, niet op geboden..



Veel interessanter, maar van een andere orde, was een kleurige krijttekening van Dijkstra uit c. 1925, 'Reitdiep met steenfabriek'. Het is in feite weinig meer dan een snelle schets, en ook nog ongesigneerd, maar het toont wel de vrijheid en de bereidheid tot experiment die zijn vroege tekeningen kenmerken, maar die helaas later nog maar zelden voorkomen. Het was een van de weinige werken die boven de hoogste richtprijs uitstegen, maar voor 400 euro mag de nieuwe eigenaar zich gelukkig prijzen.




Als er iets is dat deze veiling duidelijk maakt, is het dat de tijd dat er blind op naam gekocht werd voorbij is. En dat valt alleen maar toe te juichen, hoe vervelend  dat misschien ook is voor degenen die dat destijds wel hebben gedaan en nu tot de conclusie moeten komen dat hun bezit vaak in waarde meer dan gehalveerd is.  Een vanitas stilleven van George Martens uit 1939, met doodskop en champagnefles, illustreert ten overvloede dat Martens, die toch een aantal prachtige werken op zijn naam heeft staan, in die tijd artistiek gezien volstrekt de weg kwijt was. Het kan alleen maar omschreven worden als een pijnlijk slecht schilderij, dat op geen enkele manier, ook niet op grond van zijn eerdere werk, een richtprijs van 2000-3000 euro rechtvaardigt. Gelukkig, zou je bijna zeggen, werd het niet verkocht. Een stilleven met bloemen uit 1933, dat qua onderwerp misschien weinig spectaculair viel te noemen, maar in zijn kleurgebruik wel dichter bij de geest van de Ploeg uit het voorgaande decennium stond, ging, terecht, van de hand voor 2500 euro.
Het valt te hopen dat, met name bij de Ploeg, een beroemde naam niet langer wordt beschouwd als een soort brand name, met een automatisch daaraan gekoppelde vaste waarde, maar dat prijs veel meer gerelateerd wordt aan de artistieke kwaliteit. En dan zullen sommige werken waardevast blijken, maar heel veel andere een ingrijpende herwaardering ondergaan.



Waar George Martens in ieder geval nog kan bogen op een aantal topwerken uit de hoogtijdagen, is de positie van Henk Melgers altijd enigszins problematisch geweest. Op puur formele gronden kan hij een Ploegschilder worden genoemd, omdat hij tussen 1925 en 1939, zij het met tussenpozen, lid was van de kunstkring. Maar met de Ploeg als expressionistische stroming heeft zijn werk weinig te maken. Afgezien van een enkel oogsttafereel, dat ook nog sterk aan Dijkstra doet denken, zijn de landschappen uit die tijd uitgesproken zwak en het is de vraag of hij zonder zijn Ploeglidmaatschap überhaupt zou zijn opgemerkt. Dat zijn gouache van een spoorwegovergang (lotnr 55, richtprijs 500-700) toch nog voor 250 euro werd verkocht, viel dan ook mee. Een misschien weinig spectaculair, maar wel beter geschilderd stilleven  (nr3, 2000-3000) bleef echter onverkocht.
Henk Melgers was een uiterst beperkt schilder en het meest opvallende aan zijn latere werk, dat meestal wordt gedateerd in de jaren vijftig, is de enigszins merkwaardige keuze van zijn onderwerpen. Hoewel hij destijds allang in Amsterdam woonde, schilderde hij een soort magisch-realistische taferelen die meer opvallen door de curiositeitswaarde dan door hun artistieke kwaliteit. Ook deze schilderijen zijn in Groningen in de loop der jaren uitgebreid gepresenteerd, ondanks het feit dat ze met de Ploeg eigenlijk niets meer te maken hedden. Op de veiling van Methusalem in Assen, een week eerder, bleef een aantal van deze late werken, met forse richtrpijzen van rond de vijfduizend euro, onverkocht en ook bij het Venduehuis der Notarissen in Rotterdam was, bij een schatting van 4-5000 euro, geen belangstelling voor Henk Melgers. Terecht, ben je dan bijna geneigd te zeggen.



Eén schilderij verdient, wat mij betreft, nog een speciale vermelding. Het is van de hand van Johan Faber, een kunstenaar die, op grond van zijn totale oeuvre, niet als buitengewoon belangwekkend kan worden beschouwd. Faber is Ploegschilder, maar alleen in strikt formele zin. Hij was weliswaar, zij het tussenpozen, tot aan de oorlog lid en had ook vele contacten binnen de kunstkring, maar in zijn werk stond hij ver van zijn  expressionistische kompanen af. Behalve in dit schilderij, een portret van zijn vrouw Bouwien. Het is, bij mijn weten, het enige werk waarin hij meegaat in het experiment in vorm en kleur dat hij om zich heen in volle hevigheid in gang zag. Het resultaat hoort misschien niet bij de beste portretten van de Ploeg, maar is toch belangwekkend genoeg om, in ieder geval naar mijn mening, een plaats te verdienen in de collectie van het Groninger Museum. Het was al te zien op de overzichtstentoonstelling in Pictura in 2007 en nu was het dus te koop, met een uiterst bescheiden richtprijs van 3-4000 euro. Tijdens de veiling werd er, vreemd genoeg, niet geboden, maar in de naverkoop werd het gelukkig alsnog verkocht. Moge het een goede bestemming krijgen.

*   *   *   *

Al ruim voor de veiling zelf, vanaf het moment dat de aangeboden werken met bijbehorende schattingen op het internet waren verschenen, kreeg ik het gevoel dat dit, in ieder geval in symbolische zin, wel eens het einde van een tijdperk vormen, een gebeurtenis die in harde cijfers duidelijk zou maken in welke richting de noordelijke kunstmarkt zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. En dat werd het ook. Wat deze veiling naliet was in de eerste plaats een gevoel van ontnuchtering. De stoelen achter mij werden ingenomen door enkele vertegenwoordigers van de lokale kunsthandel en met regelmaat vielen onderdrukte kreten te horen in de geest van 'Nee toch!' en 'Dat kan toch niet!', als er weer een werk werd getoond dat nog niet zolang geleden het drie- of viervoudige van de richtprijs moest kosten. Vanuit een ouder perspectief was deze reactie alleszins begrijpelijk, maar het verloop van de veiling toonde aan dat de door Ter Borg gehanteerde schattingen allesbehalve onrealistisch waren. De economische recessie, gecombineerd met een zekere Ploegmoeheid veroorzaakt door een jarenlang met Ploeg overvoerde kunstmarkt, heeft geleid tot een nieuwe werkelijkheid, waarin voor vele gekoesterde illusies geen plaats meer is.

Voor de noordelijke kunstwereld is een kunstveiling van groot belang en het valt in Richard ter Borg te prijzen dat hij in deze tijd het experiment heeft aangedurfd. Velen hadden hem, al dan niet uit eigenbelang, een betere opbrengst gegund, maar over één ding was iedereen het eens: het is te hopen dat het niet bij deze ene veiling blijft en dat hij erin slaagt om, zoals hij op zijn website aankondigde, van deze kunstveiling een traditie te maken.



NOTITIES BIJ EEN KUNSTVEILING (1)



De veiling die kunsthandel Richard ter Borg onlangs in Groningen organiseerde was in verschillende opzichten een bijzondere gebeurtenis. Tijdens de kijkdagen werden door veel bezoekers herinneringen opgehaald aan de halfjaarlijkse kunstveilingen bij Van den Hende, maar tegelijkertijd werd ook duidelijk hoezeer de kunstmarkt in de tussentijd is veranderd. Ten dele zijn die veranderingen toe te schrijven aan de economische recessie, maar dat is zeker niet de enige factor die een rol speelt in de soms schrille contrasten die deze veiling te zien gaf in vergelijking met  de bloeiperiode in de noordelijke kunsthandel ten tijde van de veilingen aan de Westerbinnensingel.

Dat Richard ter Borg zich van deze veranderingen terdege bewust was, viel al te lezen aan de richtprijzen op de website. Bescheiden richtprijzen kunnen de verkoop stimuleren, maar de hier vermelde bedragen werden in sommige kringen, door mensen die op de hoogte waren van de prijzen die de afgelopen jaren voor vergelijkbare werken in de kunsthandel werden gevraagd, als licht schokkend ervaren. Zouden die werken niet meer opbrengen? Of zouden ze alleen maar als startprijs gelden en zouden de opbrengsten in de praktijk veel hoger uitvallen?

Het veilingaanbod was, zo werd al meteen duidelijk, niet nieuw.Veel van de aangeboden werken waren, korter of langer geleden, in de etalages van de kunsthandel te zien en de particuliere inbreng was voor een belangrijk deel afkomstig uit zijn klantenbestand.  Dat ruime, maar relatief smalle aanbod heeft echter ook een voordeel. Een veiling biedt een momentopname van de marktwaarde van kunst en kunstenaars, en een veiling met een dwarsdoorsnee van Groninger kunst zou dus een indicatie kunnen geven van de ontwikkelingen in de markt gedurende de laatste jaren.

De verwachtingen waren dus licht gespannen toen Richard ter Borg om zeven uur met de veiling van start ging. Bij een aanbod van 250 nummers is het onmogelijk om alle kunstenaars  van commentaar te voorzien, maar enkele wil ik er graag uitlichten.

[wordt vervolgd ]

donderdag 29 november 2012

BOODSCHAP VAN ALGEMEEN NUT



 In 2006, toen Buddy Hermans, Cees Hofsteenge en ik nog midden in lange voorbereidende gesprekken zaten over een door de Stichting Beeldlijn te maken film over de naoorlogse kunst in Groningen, bereikte ons het alarmerende bericht dat er kapers op de kust waren. Een stichting in Amsterdam met de niet geheel pretentievrije naam Visioen en Visie zou bezig zijn met een serie televisieprogramma’s over de naoorlogse kunst in Nederland, en zou daarbij ook Groningen aandoen. Daar ging ons mooie plan! Gelukkig bleek het uiteindelijk mee te vallen. De Beeldlijn film werd uiteindelijk gekoppeld aan de tentoonstelling  Jong in Groningen, die Henk van Os maakte in het Groninger Museum en hij trad zelf op als gids en verteller, wat de documentaire, die dezelfde titel kreeg, een duidelijke meerwaarde gaf.

Dat neemt niet weg dat de V&V programma’s, die door de AVRO werden uitgezonden onder de titel Onmetelijk optimisme: kunstenaars en hun bemiddelaars in de jaren 1945-1970 een mooi tijdsdocument vormen. En het begeleidende boek is prachtig, met veel historische foto’s en archiefmateriaal. Het bevat acht hoofdstukken die allemaal gewijd zijn aan de kunstwereld van na de oorlog op verschillende plaatsen in Nederland. Erik Beenker schrijft in ‘Groningen en het noorden’ over de positie van de Ploeg, over Siep van den Berg en Albert Waalkens, galerie de Mangelgang, Beeld en Route,  4-hoog Groningen en een aantal andere noordelijke onderwerpen die vaak ook in Jong in Groningen aan bod zouden komen.  

Is het boek al buitengewoon aardig, het bijzondere zit toch vooral in de meegeleverde DVD waarop alle afleveringen van de televisieserie zijn verzameld. Het voert te ver om die allemaal te gaan noemen, en ze zijn ook niet allemaal even sterk, maar wel leuk. Ze gaan over Den Haag, Dordrecht (met de onlangs overleden Cor de Nobel over zijn galerie .31), Arnhem/Nijmegen (Klaas Gubbels en Ted Felen over de groep  Nada), Eindhoven (Ad Snijders) en de Nulbeweging (HenkPeeters). Het programma over Groningen is voor de liefhebber in ieder geval de moeite waard. Martin Tissing, de laatste Groninger kunstenaar die het allemaal heeft meegemaakt, praat over de Mangelgang en Albert Waalkens over zijn galerie in Finsterwolde.

Toegegeven, de DVD is wat traag en vergt enig geduld bij het laden. Een zekere truttigheid kan het programma af en toe ook niet worden ontzegd. Vooral de stem van de kweekschooljuffrouw die het allemaal uitlegt kan licht agressieve reacties oproepen,  maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door het beeldmateriaal.

Het boek is nieuw en kost EUR 27.50. Voor KFN lezers is een beperkt aantal exemplaren beschikbaar, dus daadkracht is geboden. Ook een mooi Sinterklaascadeau trouwens.

MASSALE BELANGSTELLING VOOR NIEUWE KUNSTVEILING

Oude tijden herleefden op de eerste kunstveiling die Kunsthandel Richard ter Borg op maandag 26 november organiseerde. Sinds Venduehuis Van den Hende aan de Westerbinnensingel de deuren sloot, hebben we in Groningen geen grote kunstveiling meer gehad . En zo niet als persoon dan toch in ieder geval als instituut hebben we hem node gemist, Johan van den Hende, de man die met zijn gevleugelde uitspraak ‘Dankje lamaar kijken’ met in kringen van lokale kunstliefhebbers een milde vorm van onsterfelijkheid verwierf.



Maar nu was het weer zover. ‘Iedereen’ was er weer en er moesten links en rechts zoveel mensen begroet worden dat het af en toe lastig was om ook nog aan de kunst toe te komen. Er werd, zoals dat hoort, druk gediscussieerd  en gemopperd over richtprijzen die te hoog dan wel te laag waren, over kwaliteit die mee- of tegenviel, over de verwarming die kapot was en over alles wat men verder nog maar kon verzinnen. Kortom, iedereen genoot.

Al tijdens de kijkdagen werd duidelijk dat de ruimte op de begane grond was niet groot genoeg zou zijn om al belangstellenden van een zitplaats te voorzien, zodat middels een heuse camera + man een beeldverbinding werd gemaakt met het bovenzaal, waar de minder geprivilegieerden en de laatkomers op twee beeldschermen het verloop van de veiling konden volgen en indien gewenst  via een strategisch in het trapgat opgestelde medewerker ook nog hun biedingen konden uitbrengen of, in geval van nood, bij wijze van bod hard op de vloer te stampen. Het was al spoedig duidelijk: in ieder geval in sociaal opzicht was de veiling al een doorslaand succes was nog voordat er één lot was verkocht.
  
En de veiling zelf? Die gaf aanleiding tot uitgebreide discussie, niet alleen omdat de eerste kunstveiling in Groningen sinds lange tijd was, maar ook door het bijzondere karakter ervan. Hier werd immers een dwarsdoorsnee van de Groninger kunst van de twintigste eeuw aangeboden en de resultaten zouden een indicatie geven hoe het de belangstelling voor die kunst is gesteld. En dat leidde weer tot meer algemene bespiegelingen over kunst en kunstwereld in Nood-Nederland.

Wordt vervolgd