maandag 18 juli 2016

'SCHOLTE OF STAMBOEKVEE?' - DE WANKELMOEDIGHEID VAN HET FRIES MUSEUM





Nee, het was geen bijzonder inspirerende bijeenkomst, de opening in het Fries Museum op donderdagmiddag. Dat lag niet eens zozeer aan het feit dat men, excusez, niet de meest begeesterende sprekers van stal had gehaald. En ook niet aan de krakkemikkige geluidsinstallatie, zodat niet alles wat de inleiders te berde brachten overal even duidelijk was te verstaan. Nee, er ontbrak iets anders. Iets wat niet direct viel te benoemen, ongrijpbaar, maar wel essentieel. Wat was het? Enthousiasme, overtuiging, stijl, lef, zelfvertrouwen, optimisme? Ik weet het niet.

In het openingswoord van directeur Kris Callens vielen veelvuldig de termen ‘wereld’ en ‘internationaal’. Het Fries Museum en de wereld, Leeuwarden en de wereld, Friesland en de wereld, ja zelfs Hindeloopen en de wereld. De exacte strekking van zijn betoog, moet ik bekennen, is mij enigszins ontgaan. Moet de wereld nodig Leeuwarden en het Fries Museum ontdekken, of moeten Friesland en het Fries Museum eindelijk deel uit gaan maken van de wereld? Het werd mij niet helemaal duidelijk. Ik hoop eerlijk gezegd het tweede, maar helemaal gerust ben ik er niet op. Erg gelukkig klonk hij in ieder geval niet.

Het was ook een beetje een vreemd allegaartje dat er te zien was. Fotowerk van Tjibbe Hooghiemstra (naar ik hoop de voornaamste reden dat mensen net als ik naar Leeuwarden waren gekomen), iets over De Terp dat helaas aan mij is voorbijgegaan, gefotografeerde collages van Trijnie van der Wal en ook nog iets over Hindeloopen. Wel heel erg divers. Te divers eigenlijk om een goed verhaal over te kunnen houden. Maar misschien is dat ook wel wat het Fries Museum op dit moment is, bedacht ik later. Een museum waarin allerlei uiteenlopende dingen gebeuren, maar dat er maar niet in slaagt om een duidelijk eigen gezicht te creëren. Hoe kan dat toch?

Toen een aantal jaren geleden bekend werd dat het Fries Museum zou gaan verhuizen naar het Zaailand, barstte ook de discussie los welke koers het nieuwe museum moest gaan varen. Een museum over Friesland, waarin Friezen, en wie daar verder in geïnteresseerd mocht zijn, hun eigen geschiedenis en folklore konden zien? Of juist een museum dat uitstijgt boven de regio, een instituut met een nationale of zelfs internationale uitstraling dat de wereld binnenhaalt en belangwekkende exposities organiseert?

De meningsverschillen liepen hoog op. ‘Scholte of stamboekvee – de crisis rond het Fries Museum’, schreef Paul Steenhuis al in 2000 in de NRC. Beide kampen bestreden elkaar te vuur en te zwaard, maar uiteindelijk dolven de nieuwlichters het onderspit. Het nieuwe Fries Museum moest ‘het verhaal van Friesland’ laten zien. Teleurstellend voor sommigen, maar niet helemaal onverwacht, en ook niet helemaal onbegrijpelijk. Want waar anders dan in het Fries Museum zou het Friese erfgoed moeten worden bewaard en getoond? Eigenlijk ging het daar ook helemaal niet om. De kwestie was of het daarbij moest blijven, of dat Friese verhaal de core business van het museum zou gaan uitmaken, of dat er daarnaast ruimte zou zijn om een echt eigentijds museum in Leeuwarden neer te zetten. Die ruimte was er blijkbaar niet. Geen museum voor nationale of internationale kunst, fotografie, design, mode of andere moderniteiten waarmee Friesland kon worden opgestuwd in de vaart der volkeren. Het museum ging zich richten op de Friese cultuur en geschiedenis. Basta.




Vreemd genoeg koppelde men aan dit smalle concept wel de verwachting dat het daarmee druk zou worden in het nieuwe onderkomen. En dat werd het ook, even. Maar nadat iedereen het gebouw had bekeken, daalden de bezoekerscijfers in rap tempo. En in de landelijke pers kwam je het Fries Museum amper nog tegen. Daar gaf het tentoonstellingsprogramma ook weinig reden toe. Een beetje van alles, maar niets dat buiten Leeuwarden heel veel aandacht verdiende. Wat het vlaggenschip van cultureel Friesland had moeten worden begon steeds meer te lijken op een zwalkend scheepje, met verschillende stuurlui die allemaal een andere kant op wilden.

Toen alle openingspraatjes waren afgehandeld, kon men de verschillende presentaties gaan bekijken, en het identiteitsprobleem van het museum kon niet treffender worden geïllustreerd dan toen de kijkers naar de foto’s van Tjibbe Hooghiemstra, met, zoals Luc Tuymans het ooit noemde, ’de immense intensiteit van de stilte’, plotseling werden onthaald op de tonen van een Hindelooper trekharmonica uit het belendende zaaltje, waar mensen in klederdracht een dansje deden. Op dat moment wist je het heel zeker: dit gaat het niet worden.

Waarom, vraag je je af, begreep niemand in de tijd dat er een beleid moest worden ontwikkeld dat je met klederdrachten, zilver, archeologische opgravingen, het zwaard van Grutte Pier, zelfs met Mata Hari, geen museum kunt maken, althans geen museum dat substantiële bezoekersaantallen van buiten de regio trekt? Toch werd die ambitie wel degelijk uitgesproken. Men keek voortdurend met een scheef oog naar de cijfers van het Groninger Museum en het Drents Museum, maar niemand realiseerde zich blijkbaar dat die aantallen worden gehaald bij de gratie van exposities die losstaan van de regio. Niemand, op een enkele zonderling na, onderneemt de verre reis naar Groningen om de collectie Chinees porselein te zien, of de borgenkaarten. Die zijn er wel, maar worden gepresenteerd in de periferie, net als in het Drents Museum de veenlijken en de stijlkamers exposities op het tweede plan zijn. Bezoekers komen naar Groningen of Assen voor David Bowie of de Nieuwe Wilden, het terracotta leger of de Maya’s. En als ze daarna ook nog even in die andere zalen gaan kijken, is dat mooi meegenomen. Maar hun toegangskaartje kopen ze ergens anders voor.

In Groningen en Assen had men al veel eerder begrepen dat voor een succesvol tentoonstellingsbeleid een onderscheid moet worden gemaakt tussen hoofdtentoonstellingen en subtentoonstellingen. Een hoofdtentoonstelling is beeldbepalend voor het museum. In dit geval had het fotowerk van Tjibbe Hooghiemstra, misschien, een hoofdtentoonstelling kunnen zijn, maar dan had hij heel anders moeten worden gepresenteerd en in ieder geval moeten worden losgekoppeld van De Terp en Hindeloopen, die van een geheel andere orde zijn. Daarmee wordt niet hun belang ontkend, maar wordt wel prioriteit gelegd bij exposities die direct bepalend zijn voor de status en het imago, en daarmee het succes, van het museum.

Toen Wim van Krimpen rond de eeuwwisseling meer nadruk legde op hedendaagse kunst, protesteerde toenmalig cultuurgedeputeerde Bertus Mulders luidkeels dat ‘het Friese erfgoed werd verkwanseld’. Hij zag liever een mooie tentoonstelling over het Friese stamboekvee. ‘U denkt toch niet’, zei hij tegen Paul Steenhuis, ‘dat Hollanders de Afsluitdijk over komen vanwege een moderne kunst tentoonstelling?’ Helaas, de ontwikkelingen in de Nederlandse museumwereld in de jaren daarna hebben  ondubbelzinnig aangetoond hoezeer hij ongelijk had. Als een museum iets te bieden heeft dat de moeite waard is, dan komt men wel, ook van verder weg. Alleen, daarvoor is ‘het verhaal van Friesland’ niet genoeg. En zolang men krampachtig blijft vasthouden aan het idee dat alle tentoonstellingen ‘iets’ met Friesland te maken moeten hebben, blijft het Fries Museum veroordeeld tot een marginaal bestaan. Een openluchtmuseum met een dak erop, meer niet.



Als het Fries Museum niet aan wankelmoedigheid ten onder wil gaan, dan zullen er keuzes gemaakt moeten worden. Wil men zich uitsluitend blijven concentreren op het ‘Friese verhaal’, dan zal men moeten accepteren dat het museum in de toekomst landelijk geen rol van betekenis zal spelen, en dat de bezoekersaantallen waarschijnlijk steeds verder zullen achterblijven bij de verwachtingen.
Als men daarentegen vindt dat het Fries Museum meer is dan een serie luxe oudheidkamers in een te duur gebouw, dan zal men eerst een hele grote stap moeten maken: van het 'verhaal van Friesland' een permanente subtentoonstelling maken en op basis daarvan de zalen opnieuw indelen, zodat de grootste zalen beschikbaar zijn voor de hoofdtentoonstellingen. 
Natuurlijk, wie dat durft voor te stellen weet dat hij niet alleen Bertus Mulders over zich heen krijgt, maar ook nog een collectief aan frisomane notabelen in de diverse folkloristische stichtingbesturen. Maar toch is het de enige manier. Pas daarna kan men zich gaan afvragen op welke manier het Fries Museum zich ook landelijk kan gaan profileren.

En helaas voor de Friese bestuurders, beide opties kosten geld. De eerste omdat er verliezen zullen moeten worden gedekt, de tweede omdat belangrijke exposities nu eenmaal meer geld kosten dan lokale presentaties. Het verschil is alleen dat je er in het tweede geval ook iets voor terug krijgt.

                                                        *   *   *

Toen ik na afloop van de opening in een naburig etablissement de dingen nog even liet bezinken, zat naast mij een mevrouw de krant te lezen. Uit een ooghoek zag ik een groot artikel over twee pagina’s met de kop ‘Het gaat niet goed met het Fries Museum’. Eenmaal weer thuis las ik dat Kris Callens bij de Friese overheden had getracht duidelijk te maken dat het huidige budget voor het verwezenlijken van de ambities van het museum ontoereikend is. Hij kreeg, weinig verrassend, nul op het rekest. Er was al genoeg geïnvesteerd in het museum. Nee, misschien wordt het inderdaad wel nooit wat.

Het lijkt me een weinig benijdenswaardig baantje, directeur van het Fries Museum. Vraag Wim van Krimpen maar. Altijd in een spagaat, klem tussen benepen lokaalchauvinisme en misschien wat overdreven ambitie. Heen en weer geslingerd tussen twee kampen die je allebei te vriend moet zien te houden. Duidelijk beleid kun je niet maken, alleen compromissen sluiten. En dus doe je het nooit goed. Eigenlijk een onmogelijke opgave, als je het goed bekijkt. Het zou me niet verbazen als Kris Callens al stiekem de advententies bijhoudt.






zaterdag 18 juni 2016

GETEKEND LEVEN

               


Vanaf vandaag is in Museum Belvedere de tentoonstelling ‘Getekend leven’ te zien, met grafiek, tekeningen en beelden van Käthe Kollwitz. Het is een indrukwekkende expositie geworden, vrijwel geheel in zwartwit, over sociaal onrecht en menselijk leed, maar ook over bewogenheid en compassie. Het is, misschien onvermijdelijk, ook een expositie waarover een sfeer van beklemming hangt. Die beklemming, die indringendheid, raakt aan de kern van Kollwitz’ werk. Dit is kunst die niet alleen maar kunst wil zijn, maar een spiegel van leed en onrecht, van leven en lijden van de vernederden en vertrapten in de maatschappij, van de tragiek van het menselijk bestaan. Door die somberheid gloeit altijd, als sprankje hoop, het mededogen. Maar het is het mededogen met de verliezers, om het leed dat al geschied is, onomkeerbaar. Tegenover de ontroerende moeder-en-kind portretten staan die van ziekte, honger en dood.   

Een Kollwitz expositie laat niemand onberoerd. In de grote zaal wordt alleen zachtjes gepraat en geleidelijk maakt zich van de meeste bezoekers een ernst en stemmigheid meester. Je wordt geconfronteerd met beelden die je eigenlijk liever niet zou willen zien, omdat ze raken aan primaire menselijke angsten die we in ons dagelijks leven hebben verdrongen. Ze zijn indrukwekkend, maar ook pijnlijk, zodat je soms de neiging hebt om weg te kijken van zoveel zwart, zoveel schaduw. En als je de rondgang hebt voltooid, kan het zijn dat je plotseling het gevoel krijgt dat je naar buiten moet, het zonlicht tegemoet.  










Käthe Kollwitz heeft veel beroemde zelfportretten gemaakt, waarop ze zichzelf vaak op dezelfde manier afbeeldt: recht of bijna recht van voren, soms met een hand onder haar hoofd alsof ze het moet steunen, en altijd ernstig, nors, soms op het grimmige af. ‘Vastberaden, zwijgend bezield’ beschrijft Jos de Gruyter over haar in 1931, met ‘een breede nerveuze mond, die die toen zij jong was, vol en zinnelijk moet zijn geweest, bij het klimmen der Jaren echter al strakker en geslotener werd'. Een getekend leven.

Misschien is het daarom dat ik, met een onbestemd schuldgevoel dat ik niet goed kan verklaren, moet bekennen dat het beeld dat mij uiteindelijk het meest is bijgebleven niet een is van menselijk leed, niet een van de zwaarmoedige zelfportretten, zelfs niet een van de moeder-en-kind taferelen, maar dit: 







zondag 12 juni 2016

AFTER ALL THOSE YEARS ... - TJIBBE HOOGHIEMSTRA

 


Lang geleden, toen ik nog een kunstantiquariaat annex kunsthandel in de Folkingestraat in Groningen had, kregen we op een dag drie tekeningen van Tjibbe Hooghiemstra aangeboden, in consignatie. Daar waren we blij mee, want we waren net begonnen ons ook te richten op noordelijke kunst. Martin Tissing was in die tijd een bijna dagelijkse gast en via hem leerden we ook andere kunstenaars kennen. Tjibbe Hooghiemstra was een oud-leerling van hem en steeds maar weer vertelde hij dat het zo'n moeilijke jongen was, die Tjibbe, een dwarsgebakken Fries met wie eigenlijk geen zinnig woord te wisselen was. Toen we hem zelf ontmoetten, bleek dat allemaal wel mee te vallen en toen bij uitgeverij Philip Elchers zijn boek 12 x 12 uitkwam, met werk van hem en gedichten van Forrest Gander vertaald door Maria van Dalen, besloten we de presentatie bij Prentwerk te houden. Het was afgeladen vol, in die kleine winkel. Those were the days.

Maar het begon met die tekeningen. Lang hebben we er niet van genoten, want twee van de drie werden verkocht voor we er erg in hadden. De derde hebben we toen maar zelf gehouden en die hangt sindsdien bij ons thuis. Maar toch lieten die andere twee me niet los. Ik zie ze nog zo staan, daar met zijn drieën tegen de muur. Toch een gevoel van vage spijt.

Heel bijzonder dus dat ik vorige week op een obscure veiling twee tekeningen van Tjibbe Hooghiemstra zag die me verdacht bekend voorkwamen. Jazeker, dat waren ze, de andere twee! Ik weet niet meer met zekerheid wie ze had aangeboden, en ook niet meer wie ze had gekocht, maar er was geen twjfel mogelijk. Dit waren ze! Door een vreemde speling van het lot kwamen ze weer op mijn pad en daarom moest ik ze wel kopen. Kon niet anders. Men moet het lot niet tarten. 

En zo zijn ze alle drie weer bij elkaar, na twintig jaar. Voor zolang het duurt, dat wel, want de collectie Hooghiemstra begint uit de hand te lopen. Dus wie weet ...






maandag 30 mei 2016

DE OUTSIDER ART VAN RUUD DE RODE



Bij uitgeverij Philip Elchers in Groningen werd op zaterdag 28 mei de eerste grote monografie over het werk van Ruud de Rode gepresenteerd. Op zichzelf is het opmerkelijk dat die zo lang op zich heeft laten wachten, want De Rode is al ettelijke decennia actief in het noorden en daarbuiten en zijn werk wordt, in ieder geval in kleine kring hoog gewaardeerd. Zo werden schilderijen van hem aangekocht door de prestigieuze Caldic Collectie en zullen ze in de nabije toekomst te zien zijn in het nieuwe Museum Voorlinden. In het noorden is zijn werk echter hoofdzakelijk bekend bij een kleine groep liefhebbers. De belangrijkste reden hiervoor lijkt dat het niet goed is in te passen in de bestaande noordelijke tradities, zoals de Ploeg, noordelijke landschappen en waddengezichten, met aan de andere kant de noordelijke realisten, met als gevolg dat hij, zeer ten onrechte, bijvoorbeeld niet is vertegenwoordigd in de collectie van Museum Belvedère. Het werk van Ruud de Rode, met zijn combinatie van ernst met ironie en absurdisme, valt buiten de gebaande noordelijke paden. Daarbij komt nog dat De Rode zich niet beperkt tot één duidelijk herkenbare stijl, maar binnen zijn oeuvre zowel figuratief als non-figuratief werkt. Voeg daarbij nog het feit dat hij, naar eigen zeggen, nooit zo de ambitie heeft gehad om zichzelf in de schijnwerpers te plaatsen en het zal duidelijk zijn waarom het werk van Ruud de Rode in ieder geval bij een breed publiek nooit echt de aandacht heeft gekregen die het verdient. 
  
Deze lacune wordt, in ieder geval ten dele, goedgemaakt door deze fraai uitgevoerde monografie die een beeld geeft van zijn werk sinds 2000. Het is, volgens uitgever Flip Ekkers, een eigenzinnig en onconventioneel boek geworden, zowel in het afgebeelde werk als in de begeleidende teksten, dat goed aansluit bij het karakter van het werk.




Bij een boekpresentatie hoort een spreker en voor de gelegenheid was Martin Tissing, vriend en oud-collega aan Academie Minerva, uitgenodigd om De Rode op passende wijze toe te spreken. Dat kan niet goed gaan, zou je zeggen, en dat ging het ook niet. Althans niet voor degenen die hadden gerekend op een stemmige kunsthistorische inleiding. Aan alle kanten uit de bocht, af en toe volstrekte chaos, maar ook ernstige woorden. Maar wat het meest duidelijk werd, was de waardering en warme vriendschap van de ene kunstenaar voor de andere. En misschien is dat nog wel meer waard.






vrijdag 6 mei 2016

KunstForum Noord COLLECT nr 2 - Werk van Drewes de Wit, Martin Tissing, Gerriet Postma, Jan Stroosma, Hans Boer e.a.



Zojuist verstuurd: de tweede verkooplijst van KunstForum Noord COLLECT, het platform voor lopers en verkopers van kunst in Noord-Nederland. Een klein maar fijn lijstje, met werk van Drewes de Wit, Martin Tissing, Gerriet Postma, Hans Boer e.a.

Niet gehad? Klik HIER

maandag 25 april 2016

WAAR IS DOLF VERLINDEN? - IN RUIMTE P60, ASSEN






Het werk van Dolf Verlinden is de laatste jaren amper nog in het noorden te zien geweest. Het is daarom des te spijtiger dat slechts een select gezelschap van collega-kunstenaars en kunstliefhebbers de tocht naar de wastelands van het Assense industriegebied hadden ondernomen om de opening van zijn solotentoonstelling Veld verkennen in de prachtige ambiance van ruimte P60 in Assen bij te wonen. Want zowel de kunstenaar als de ruimte verdienen onze aandacht.

Hoezeer de thuisblijvers weer eens ongelijk hadden, moge blijken uit deze impressie.






U kunt het nog goedmaken t/m 15 mei, op vrijdag en zondag van 13 tot 17 uur.


donderdag 21 april 2016

JOCHEM HAMSTRA MAAKT GRAPHIC NOVEL





Vier jaar lang werkte Jochem Hamstra aan de tekeningen voor ‘De kikkers hebben nog geen pootjes’, een graphic novel die in een oplage van 100 exemplaren is uitgebracht door Melklokaal Heerenveen, in een prachtige vormgeving van Monique Vogelsang.


Voor deze uitgave bewerkte hij stills uit speelfilms en voegde ze samen in een aaneenschakeling van scenes die de ruwe schijn van een verhaal wekken, maar ook afzonderlijk fascineren door hun broeierige sfeer. Het zijn vaak erotische tekeningen, in stemmige grijzen afgedrukt op de linkerpagina’s, met  opgetekende flarden van dialogen op de rechter, beperkt tot een enkele regel. Susan van den Berg heeft er uitgebreid over geschreven in de Leeuwarder Courant. Leest zelf!



Geïnteresseerd? Er zijn nog enkele  exemplaren beschikbaar. Zie www.melklokaal.nl