vrijdag 29 januari 2016

SCHIERMONNIKOOG



Een klein juweeltje, zo mag je dit van buiten uiterst bescheiden ogende boekje toch wel noemen. Het werd in 2008 uitgegeven door de Groningse bibliofiele uitgeverij Philip Elchers. Zeven noordelijke grafici werden uitgenodigd een prent te maken over het thema ‘Schiermonnikoog’. Het resultaat is een fraaie collectie kleingrafiek, met als (betwistbaar) hoogtepunt het in tere tinten uitgevoerde waddengezicht van meesterhoutsnijder Siemen Dijkstra. Het boekje is uitgebracht in een oplage van 75 ex. Alle prenten zijn in potlood gesigneerd. 




Willem Kolvoort – ‘Het groene strand’ - kleurenzeefdruk




Siemen Dijkstra – ‘Dood tij’ - kleurenhoutsnede 



Het boekje is opgenomen in de Catawiki kunstveiling Figuratief NL/B op 7 februari,
kavel 68. Happy bidding! 

woensdag 23 december 2015

IN MEMORIAM JAN MANKES (1920)





Het leek een mooie vondst, zo leek het, deze fraai gebonden jaargang van Elsevier’s Maandschrift uit 1920, met daarin een vijftien pagina’s tellend In Memoriam voor Jan Mankes door R.W.P. de Vries Jr. In de onderhand zeer omvangrijke bibliografie van Mankes is het niet de vroegst bekende publicatie (er schijnen nog enkele oudere verspreide tentoonstellingsbesprekingen te zijn, maar daarvoor moet je bij het RKD zijn). Het is in ieder geval wel de vroegste die ik ooit in handen heb gehad. Het bijzondere aan deze uitgave is dat er ook een houtsnede  werd bijgevoegd, die weliswaar, in tegenstelling tot het latere, veelvuldig herdrukte Koemelkstertje uit 1927, niet wordt vermeld in de oeuvrecatalogus van het grafisch werk  uit 1982, maar die in de inhoudsopgave van de jaargang expliciet wordt omschreven als ‘van het blok gedrukt’. Het gaat om de Zilverwyandotte (een kippenras), hier weergegeven in tweede staat.

 

      


Voor de definitieve versie verkoos Mankes, terecht, een donkere achtergrond, die werd gerealiseeerd door middel van een tweede blok dat het zwart toevoegde. De versie in Elsevier’s Maandschrift is dus afgedrukt van het eerste blok, dat de basis van de afbeelding vormt.

Het problem was alleen, de prent zat er niet meer in. Het was weer zover. Eruit gesneden. En mind you, in dit geval zijn naam en adres bekend bij de redactie! Het boek toch maar gekocht, want zelfs zonder de prent is dit voor Mankes-liefhebbers een bijzonder item. En het biedt wel de gelegenheid voor enkele algemene opmerkingen over Mankes-grafiek.





Prenten van Jan Mankes zijn populair, en waar vraag is komt aanbod. Het Koemelkstertje dateert oorspronkelijk uit 1914. Verreweg de meeste exemplaren op de markt zijn afkomstig uit de monografie van Albert Plasschaert en Just Havelaar uit 1927, waar het eveneens vergezeld ging van een tekstregel  ‘Origineele Houtsnede Gedrukt door den Uitgever’. Allemaal goed en wel, maar dat betekent dus dat de oplage van de houtsnede even groot was als die van het boek. En hoewel die niet in het colophon werd gespecificeerd, mogen we aannemen dat het hier om ettelijke honderden ging, want echt zeldzaam is het boek nooit geworden. Nog steeds kun je het zonder al teveel moeite voor een paar honderd euro antiquarisch een exemplar op de kop tikken. Om ditzelfde prentje dus, ongetwijfeld voorzien van luxe lijst, te koop aan te bieden voor achttienhonderd euro (zie hier) is volstrekt absurd, en riekt naar misleiding en bedrog. Weliswaar wordt het prentje correct beschreven (d.w.z. met vermelding van de herkomst), maar het prijskaartje dat er vervolgens aan wordt gehangen gaat alle perken te buiten. Het betreft hier immers niet meer dan een nadruk in grote oplage. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om je voor te stellen wat er gebeurt als een argeloze koper een poosje later zijn duurbetaalde ‘Mankes’ tegenkomt in het boek, voor een tiende van wat hij ervoor heeft betaald.

Er zijn veel meer nadrukken in omloop. William D. Kuik maakte ze al in de jaren zestig. In 1989 werd een ‘Herdenkingsuitgave’ gepubliceerd door Galerie De Vier Jaargetijden in Meppel (gedrukt  door Toon Wegner. En praat ik nog niet eens over de hardnekkige geruchten in het circuit dat bepaalde prenten ook meer recentelijke op grote schaal zijn herdrukt, al dan niet voorzien van valse handtekeningen..

Prachtige kunstenaar, Jan Mankes, maar wel een bij wie de grootst mogelijke  argwaan geboden is!




maandag 2 november 2015

TE KOOP: HET PERSOONLIJK FOTOARCHIEF VAN JOHAN DIJKSTRA



De meeste handelaren in oude boeken leiden, zoals iedereen weet, een moeizaam en droefgeestig bestaan, eindeloos zeulend met bananendozen vol boeken die niemand meer wil hebben, wat voor belachelijk lage prijzen ze er met hun afgekauwde potloodje ook voor- of achterin zetten. Voor hun karig levensonderhoud zijn zij afhankelijk van een kleine groep zonderlingen die, niet geheel verwonderlijk gezien hun gevorderde leeftijd, gestaag uitdunt. De rest van de wereld is overgenomen door allerlei bollen en wiki’s, die als grootste gemene deler hebben dat niemand zich meer van de bank hoeft te verheffen om, vooropgesteld dat men überhaupt nog in boeken is geïnteresseerd, het object van hun gading liefst al de volgende dag door onderbetaalde postbestellers aan de voordeur overhandigd te krijgen. Het zijn barre tijden.

Maar heel af en toe gebeuren er dingen die het bestaan, in ieder geval tijdelijk, weer even glanzend en vederlicht maken. Zo werd ik onlangs benaderd door iemand die onder zijn arm vier, zo te zien oude, ringbanden meetorste. Wat hij hiermee aan moest. Mijn aanvankelijke, gelukkig onuitgesproken, scepsis bleek volstrekt onterecht. Vier multomappen met foto’s van kunstwerken. Er was niet heel veel bladerwerk voor nodig voor ik besefte wat ik hier in handen had:  het persoonlijk fotoarchief van Johan Dijkstra. Een grote collectie foto’s, de meeste in zwartwit, die Dijkstra had gemaakt of had laten maken van zijn eigen werk, vaak door hemzelf geannoteerd. De eerste map gaat over schilderijen, de tweede over de grafiek en de andere twee zijn gewijd aan het monumentale werk, met name glas-in-lood opdrachten. In een ruwe schatting kom je al gauw op zo’n vierhonderd foto’s, verschillend in formaat en kwaliteit, sommige van bekende werken, maar ook veel die ik in ieder geval niet ken. Maar zeker zo leuk zijn de kleine verrassingen die je tegenkomt: een paar foto’s waarop je Dijkstra zelf aan het werk ziet, een handgeschreven recensie van een tentoonstelling van Drentse schilders in Hoogeveen, een gelukstelegram aan Hein Leemhuis, een handgeschreven nieuwjaarswens achter op een kleurenfoto, een paar originele afdrukjes van boekillustraties enz. Al met al een ware goudmijn voor de Dijkstra-liefhebber en zeker ook een collectie van kunsthistorisch belang.

De eigenaar wilde ze verkopen, zei hij, maar hij had geen idee wat voor prijs hij ervoor zou kunnen vragen. Ik, eerlijk gezegd, ook niet. Want unieke dingen hebben geen prijs. Ze kosten alles, of ze kosten niets. Wat zoiets waard is, bepaalt uiteindelijk de koper. Maar KunstForum Noord is geen veilingsite. Wat te doen? Uiteindelijk hebben wij  besloten tot de volgende procedure:

De mappen worden, in één koop, bij inschrijving verkocht. KunstForum Noord zal daarbij een bemiddelende rol spelen. Praktisch betekent dat dat belangstellenden twee weken de tijd hebben om het bedrag dat zij bereid zijn voor de mappen te betalen per email door te geven aan info@kunstforumnoord.nl . De termijn sluit op zondag 15 november, om 24.00 uur.

Om het voor iedereen een beetje leuk en spannend te houden zal ik in die periode af en toe de tussenstand op de website van KunstForum Noord plaatsen. U kunt desgewenst uw bedrag dus nog aanpassen. De laatste dag worden geen nieuwe bedragen meer genoemd. We gaan ook geen moeilijke dingen doen met verlengingen, bieden in de laatste minuut etc. Wie op 15 november om 24.00 het hoogste bedrag heeft achtergelaten is de koper. Bij gelijke biedingen gaat de eerste bieder voor. Op maandag 16 november wordt het eindbedrag op de website geplaatst, uiteraard zonder de naam van de koper. Met de koper wordt diezelfde dag contact opgenomen.

Mogelijke vragen:

- Is het ook mogelijk om de mappen in te zien alvorens een prijsvoorstel in te dienen? -   Ja, dat kan. Maar daarvoor moet u wel even een afspraak maken.
- Is het ook mogelijk om wat meer foto’s van de inhoud van de mappen te bekijken? – Ja, dat kan ook. Daarvoor kunt u een mail sturen aan info@kunstforumnoord.nl. U krijgt dan een extra serie foto’s toegestuurd.


HOOGSTE BOD:   500 euro

Wij feliciteren de winnaar met het verwerven van deze bijzondere collectie.


vrijdag 16 oktober 2015

ONBEKEND WERK VAN JOHAN DIJKSTRA [bijna]



Geruime tijd geleden (ruim drie jaar geleden, om precies te zijn) vroeg ik op KunstForum Noord aandacht voor het artikel dat Doeke Sijens in de tiende editie van het Ploeg jaarboek wijdde aan de boekillustraties van Johan Dijkstra. Zijn stuk ging vergezeld van een aantal prachtige illustraties van boekomslagen die Dijkstra rond 1930 maakte voor uitgeverij De Gulden Ster. Ik citeer nog even:

‘Als u, net als ik, onmiddellijk werd bevangen door hebzucht en verzamelingsdrift, dan heb ik slecht nieuws: edities met de originele stofomslagen zijn, in ieder geval via de geijkte kanalen, op geen enkele wijze meer te achterhalen. Tenzij we een keer heel erg geluk hebben, zullen we het dus moeten doen met bandontwerpen, schutbladen en illustraties.’

Maar soms heb je dat geluk. Onlangs heb ik eindelijk een exemplaar kunnen bemachtigen van De Halfvolwassene van F.M. Dostojewskie, MET HET ORIGINELE STOFOMSLAG.







Is dat alles, hoor ik u denken. Een stofomslag bij een boek? Begrijpelijk. Boekillustraties, boekontwerpen en stofomslagen zijn, meestal, een soort stiefkinderen binnen het grafisch werk van een kunstenaar. Vaak is dat ook terecht. Dijkstra, net als vele andere Ploegkunstenaars, illustreerde om den brode. Het aanleveren van illustraties bij zeer uiteenlopende publicaties was een welkome aanvulling op het inkomen in een tijd waarin de verkoop van schilderijen niet genoeg opleverde om van te leven. Wiegers, Altink, Alkema, allemaal deden ze dingen ‘on the side’. Altink maakte reclameontwerpen voor Vroom en Dreesman, Alkema richtte samen met Jan van der Zee in 1921 het AVAR, Atelier voor Artistieke Reclame, op en ook Dijkstra accepteerde zeer uiteenlopende opdrachten voor affiches en illustraties (zie het hoofdstuk van Wim Koops over de ‘Toegepaste grafiek’ in de monografie van Mieke van der Wal). Toch is het nuttig om hier een onderscheid te maken tussen opdrachten die in belangrijke mate werden bepaald door het medium en de eisen van de opdrachtgever, en die waarbij de kunstenaar een grotere mate van artistieke vrijheid behield. Een groot deel van het toegepaste werk is alleen interessant bij de gratie van het vrije werk. Het is ‘ook Altink’, of ‘ook Wiegers’, maar zonder die namen erbij zou het waarschijnlijk niet eens opvallen. Maar in ieder geval in artistiek opzicht staan de boekomslagen niet ver van het vrij werk af. Het zijn weliswaar geen originele houtsneden, van het blok gedrukt, en ze zijn ook niet handgesigneerd, maar het zijn wel originele ontwerpen, speciaal voor dat doel vervaardigd. En waar veel etsen en houtsneden van de Ploeg eindeloos zijn herdrukt, legaal of illegaal, in zulke aantallen dat hun bijzondere karakter in de loop van tijd volstrekt is verwaterd door hun al te grote bekendheid, zijn van de boekomslagen niet of nauwelijks ander afbeeldingen bekend. Bij de publicatie van het boek waarvoor ze waren bestemd, ging het copyright over naar de uitgeverij, waardoor de kunstenaar geen eigen afdrukken van het blok meer mocht maken. Dus in ieder geval in dat opzicht is een origineel stofomslag, in ieder geval qua beeld, een stuk exclusiever dan veel van de grafiek.





Een ding is, in zekere zin, toch een beetje spijtig: het omslag staat afgebeeld in het hoofdstuk dat Wim Koops in de grote monografie van Mieke van der Wal schreef over Dijkstra’s toegepaste grafiek. De Stichting Johan Dijkstra heeft dus een exemplaar in haar bezit. Jammer, want helemaal ‘onbekend’ is het dus niet. OK. Maar wel uiterst zeldzaam. En te koop. 

zondag 5 juli 2015

OVER HUUG PLEYSIER - EEN REACTIE



Naar aanleiding van je goede stuk over Huug Pleysier het volgende.

ik heb hem gekend toen hij in de Oude Boteringestraat woonde en werkte in het oude Domeinengebouw. Hij woonde achterin en had een drukpers-ruimte midden in de gang rechts. De enorme platen zink van Van Simmeren stonden tegen de muur in de gang. In zijn woonkamer schetste hij op dun papier met houtskool, stapels tekeningen waarvan een deel diende als inspiratie/voorbeeld voor zijn etsen. De tekeningen gingen veel over Myrte, een vriendin die hij had en die eigenlijk onbereikbaar was. Ik kreeg een stapel mee, opgerold, zodat de meeste later onbruikbaar waren geworden. De goede liet bij Cees Beikes vacuüm inlijsten (formaat ongeveer 60 x 80].

Ook kocht ik van hem een van de tien  boeken Tandeloos (gesigneerd, nr 6/10, 33 x 43 cm). Hij had de etsen van dit etsenboek, dat straks in Belvedère wordt getoond en nu in Groningen ligt) laten fotograferen en daarna inbinden tot boek door de Reproductiedienst van de RUG. De rekening van 6000 kreeg hij nooit officieel en het geld dat hij ervoor had (ik geloof of BKR-geld) besteedde hij toen aan een zwarte piano, die hij op een middag bij Steenmeier kocht en contant afrekende onder de ogen van de verbijsterde winkelier met de woorden: 'Vanmiddag graag bezorgen!' Zijn redenering was: als het geld op is, kan ik de rekening (als die ooit komt) toch niet meer betalen, en dan is dat probleem opgelost.

Nu kon hij ook op de piano spelen in zijn met zwart landbouwplastic behangen kamer. Hierop projecteerde hij 's avonds Burt Lancasters zeeroverfilms, uiteraard onder het genot van roken en drinken.

Mijn vraag is of je een idee hebt van mensen die misschien geïnteresseerd zijn in dit werk van Pleysier. Hierbij twee voorbeelden; ik heb ook nog andere.

Wiert Noorda

Naschrift DS:   Eventuele gegadigden kunnen een mail sturen naar info@kunstforumnoord.nl.

NOGMAALS JAN WIEGERS (RUILEN VOOR EEN STOEL)



Naar aanleiding van het Tussen Kunst en Kitsch schilderij van Jan Wiegers in de vorige aflevering van KunstForum Noord Nieuws kreeg ik uit België een mail over een ander schilderij van Wiegers, ruwweg uit dezelfde tijd. De eigenaar had het geërfd van zijn vader, Gerrit de Vries, die meubelmaker was en in de Groningse wijk de Hoogte in dezelfde straat woonde als Wiegers. Hij had het schilderij ooit geruild voor een stoel.

 Het is altijd leuk om onbekend werk onder ogen te krijgen, zeker als er een verhaal bij zit dat het werk iets meer context geeft. En het is een interessant schilderij, niet omdat het zo goed zou zijn, want dat is het niet, maar wel omdat een een bepaalde fase in Wiegers’ kunstenaarschap belicht. Het sluit bovendien naadloos aan bij de conclusie uit het andere stukje over Wiegers, nl. dat er bij hem al in de late jaren twintig een soort discrepantie tussen vorm en kleur waar te nemen is waarbij het beeld steeds conventioneler wordt, maar de oude Ploegkleuren tot op zekere hoogte worden gehandhaafd.

Het schilderij is gedateerd ‘1930’. Dat wil niet zeggen dat de ruil toen ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden; dat kan ook wel een paar jaar later zijn gebeurd. Maar de hoogtijdagen van de Ploeg waren definitief voorbij. De beurskrach van 1929 luidde de crisis in en kunstenaars kregen het moeilijk. Er was nauwelijks nog ruimte voor het artistieke experiment. Er moest wat verkocht worden, en een ongevaarlijk bloemstilleven lag beter in de gewone markt dan allerlei expressionistische avonturen. Als het schilderij al opvalt, is het door de felgekleurde achtergrond. Denk je die weg, dan is wat er overblijft een volstrekt anoniem werk, een naturalistische weergave van bloemen in een keulse pot, die in feite door iedere willekeurige andere schilder zou kunnen zijn gemaakt. Om toch nog enige levendigheid aan het geheel te geven heeft Wiegers voor de achtergrond rood en oranje gebruikt. Het rood lijkt nog een gordijn dat gedeeltelijk om de pot heen is gedrapeerd (hoewel het wat vreemd is dat de vensterbank of het krukje waarop de pot staat precies dezelfde kleur heeft), maar het vlakke oranjegeel  lijkt uitsluitend omwille van het effect te zijn toegevoegd en doet wat geforceerd aan. Het blijft hoe dan ook een incongruent geheel, gemaakt op de grens van twee tijdperken.

Het is wel spijtig dat dit doek in een tamelijk deplorabele staat verkeert. De rander van de spielatten hebben naden achtergelaten in het doek, en het middendeel is zo hevig gecraqueleerd dat het lijkt alsof de verf er ieder moment af kan vallen. Natuurlijk, een goede restaurateur zou daar welk wat aan kunnen doen. Maar dat wordt waarschijnlijk wel een kostbare klus, en het is de vraag of een dergelijke investering in dit geval gerechtvaardigd is.

Niettemin, dank voor de toezending!

vrijdag 26 juni 2015

DRIELUIK PLEYSIER IN NOORDELIJKE MUSEA





In de ovale zaal van het Groninger Museum is tijdens de zomermaanden een presentatie te zien van grafisch werk van Huug Pleysier (1944-2000). En als vervolg daarop besteden in het najaar ook Museum Belvedère en Museum Drachten aandacht aan zijn werk.

Zoveel plotselinge belangstelling mag toch wel enigszins verrassend worden genoemd. Zeker, Huug Pleysier is in de noordelijke kunstwereld geen onbekende. In de laatste decennia van de vorige eeuw exposeerde hij, alleen of in groepsverband, in bijna alle noordelijke galeries en musea. De provincie Friesland kocht werk van hem aan; het CBK Groningen blijkt te beschikken over een kleine dertig schilderijen. Maar desondanks is zijn status allesbehalve die van een noordelijke klassieker, en waarom juist hem de postume eer te beurt valt van drie bijna gelijktijdige museumpresentaties zal misschien Er is ook nauwelijks documentatie te vinden. Bij geen van zijn solo-exposities is ooit een catalogus verschenen, zodat zijn naam eigenlijk alleen voortleeft bij de gratie van het werk dat in omloop is.

Hoe dan ook, daarin wordt nu verandering gebracht. Charles Wildevuur, de man die van het promoten van Huug Pleysier de afgelopen jaren een soort heilige missie heeft gemaakt, heeft samen met enkele andere ‘Huug-genoten’ een monografie samengesteld die in eigen beheer is uitgegeven in een oplage van 300 exemplaren, en die te koop is in de verschillende museumwinkels. En daarin komt voor het eerst een wat breder beeld van Huug Pleysier naar voren.
*     *     * 

Huug Pleysier komt oorspronkelijk uit Rotterdam, waar hij in 1968 afstudeert aan de kunstacademie. Twee jaar later vestigt hij zich in het Friese dorpje Boornbergum, bij Drachten. In 1982 verhuist hij naar Groningen, waar hij tot aan zijn dood in 2000 blijft wonen.



De reden van zijn verhuizing naar Friesland is niet helemaal duidelijk. Wildevuur beschrijft hem als ‘een zeer sensitief mens, die kwetsbaar was voor omgevingsinvloeden’ en noemt Boorbergum zijn ‘schuilplaats’. Daar, in een klein boerderijtje met een schuurtje voor de etspers, probeert hij zijn dromen, zijn eigen bewustzijn en onderbewustzijn te ontrafelen en te ‘verbeelden’ in etsen vol schema’s en ruwe tekstfragmenten. In de afzondering van het Friese platteland stort hij zich in de psychologie van Jung en bedenkt een eigen systeem van archetypen, zoals de ‘oer-man’ , de ‘vrou-man’, de cultuur-man’ en de ‘voedster’, die op allerlei manieren worden opgevoerd in zijn werk.

Op dit punt dringt zich bijna onvermijdelijk een vergelijking op met een andere kunstenaar, een naam die Pleysier de rest van zijn leven zal blijven achtervolgen: Anton Heyboer. Zelf heeft Pleysier altijd ontkend dat hij het werk van Heyboer kende toen hij deze etsen maakte. Op zich misschien niet heel erg geloofwaardig, want in de tijd dat hij ermee begon, hadden de etsen van Heyboer al een klassieke status verworven. In een brief verweert Pleysier zich en merkt op dat ‘de techniek van het etsen al zo’n stempel drukt op het uiteindelijke beeld. Ga er dan ook nog eens in schrijven, en de heyboeren zijn niet van de lucht.’ Daar valt iets voor te zeggen, en Pleysier een Heyboer-imitator noemen zou ook onterecht zijn. Daarvoor is zijn werk te zeer verweven met zijn eigen binnenwereld. Maar de overeenkomsten zijn voortdurend en nadrukkelijk aanwezig, en ze werken in zijn nadeel. Ooit werden zijn etsen aangeboden bij de Amsterdamse galerie Espace, die ook Heyboer vertegenwoordigde. Het oordeel was kort en duidelijk: ‘Onverkoopbaar!’
*     *     *
Eigenlijk wisten de recensenten in de noordelijke pers niet goed wat ze met Pleysier aan moesten. In 1975 opent Erik Beenker In het Nieuwsblad van het Noorden een bespreking met de woorden : ‘De expositie van Huug Pleysier in Galerie de Mangelgang in Groningen stelt de originaliteitsvraag aan de orde.’ Alweer Heyboer. Hij introduceert de term ‘psychografiek’, een bruikbaar neologisme waarmee hij een soort prenten aanduidt dat uitsluitend, of in hoofdzaak, bedoeld is als verbeelding van de psychische gemoedstoestand van de kunstenaar, zonder bewust te streven naar esthetische waarde. De term zou zowel op Pleysier als op Heyboer kunnen slaan, maar op dit punt scheiden hun wegen. Anton Heyboer was, in ieder geval in zijn beste tijd, in staat om zijn theorieën te vertalen in beelden die ook zonder esoterische uitweidingen overeind blijven Zelfs wie niet het geduld, of de interesse, op kan brengen om zich te verdiepen in de finesses zijn Systeem, kan onder de indruk raken van de beelden die dat uiteindelijk opleverde. In de kleine oeuvrecatalogus die Galerie der Spiegel in Keulen in 1960 uitgaf van Heyboers etswerk uit de late jaren vijftig (nu vaak beschouwd zijn beste werk), wordt met geen woord gerept van enig Systeem. Voor een Duits publiek werden de beelden geacht voor zich zelf te spreken. En dat deden ze.

 
Het probleem bij Pleysier is dat dit bij hem maar in zeer beperkte mate lukt. Zijn etsen mogen dan voor hemzelf een diepe en duidelijke betekenis hebben, voor de argeloze beschouwer bieden ze vaak weinig meer dan een wat chaotische cumulatie van flarden al dan niet leesbaar handschrift en wild gekraste vormen, die in samenhang zelden een coherent en overtuigend beeld vormen. Wie het boek doorbladert, en ander werk in herinnering roept, moet constateren dat de etsen in het Groninger Museum (de ‘8-serie’) nog tot de meest toegankelijke, en tot de beste, behoren. Ook zij zijn illustraties van Pleysiers ‘systeem’, maar ze leveren in ieder geval een interessanter beeld op dan het koortsachtige en ogenschijnlijk ongerichte gekras waarmee hij zoveel andere etsplaten vulde.
Maar ook hier Heyboer is nooit ver weg, en daarbij roepen ze soms ook nog associaties op met de cijfer- en letterwerken van kunstenaars als Jasper Johns en Robert Indiana, zodat zelfs deze werken een duidelijk eigen karakter ontberen.

Er is nog een aspect dat in deze bredere presentatie naar voren komt. Er zit een donkere kant aan Pleysiers werk, iets dat bijna neurotisch aandoet. Als hij  in 1982 zijn eerste solotentoonstelling heeft in het Coopmanshûs, spreekt Rudy Hodel in de Leeuwarder Courant van de moderne neiging om ‘de beleving van zowel het bewuste als het onderbewuste en de spanningen daartussen door produktie van beelden aan de buitenwereld kenbaar te maken’. Hij kenschetst de geëxposeerde schilderijen als ‘half en geheel onleesbare tekens, brabbels en nauwelijks te definiëren organisch aandoende bolle vormen of combinaties daarvan’, en waagt zich aan het eind van zijn stuk aan een psychologische interpretatie: ‘Het zijn sinistere symbolische tekens van een individu aan de rand van de zelfvernietiging in een rotte wereld die hij als uiterst bedreigend ervaart.’


 

Het blijft natuurlijk een riskante zaak, het duiden van de persoonlijkheid van ene kunstenaar op basis van zijn werk en het is als algemene benadering bij het beoordelen van kunst ook zeker niet aan te raden, maar in dit geval kan ik me er wel iets bij voorstellen. Ik heb Huug Pleysier niet gekend, maar het zijn wel heel indringende foto’s die in deze monografie zijn opgenomen. Het zijn beelden van een man die met een enigszins verwilderde blik een wereld inkijkt waarmee hij strijd moet leveren. Er is iets dat me aan sommige zelfportretten Van Gogh doet denken, ook een kunstenaar bij wie de chaos en de waanzin altijd net onder de oppervlakte lijken te borrelen. En als je dan teruggaat naar die eindeloze rijen etsen die hij al die jaren met een monomane volharding bleef produceren, krijg je eens temeer het idee dat hier een man is die voortdurend het gevaar loopt ten onder te gaan in de chaos van zijn eigen ideeënwereld, en van zijn eigen kunst.
*     *    


 

In zijn Groningse jaren kreeg Pleysier, door zijn gewoonte om de zinkplaten in het zoutzuur met blote handen aan te pakken, last van eczeem, waardoor hij zich gedwongen zag zich te beperken tot tekenen en schilderen. Afgezien van de heftige expressionistische werken in het CBK waren er tot nu toe weinig andere schilderijen van hem bekend. Er was dat prachtige doek dat geregeld in Museum Belvedère te zien is. Het staat afgebeeld op de laatste pagina van het boek, en het is ook met afstand het beste werk dat we tegenkomen. Wie het schilderij uitsluitend letterlijk neemt, ziet een man in een boerenkiel, mogelijk Pleysier zelf, in een boerenschuur, mogelijk zijn eigen boerderijtje in Boornbergum. Maar voor mij is dit het enige werk waarin Pleysier als het ware boven zichzelf uitstijgt. De lichaamshouding, de holle ogen, grotendeels weggelaten, het stalraam op de achtergrond dat tegelijkertijd het tralieraam van een gevangenis lijkt, alles ademt beklemming en een onderliggende wanhoop. Hier is een schilderij dat voor zichzelf spreekt, ook al is het geen opwekkende boodschap. Daar kan geen vaasje met blauwe bloemen iets aan veranderen.  
Maar wie, op grond van dit ene werk, hoopt op meer wordt teleurgesteld. Twee hoofdstukken in het boek met portretten van vrouwen die een belangrijke rol speelden in zijn leven, leveren niet meer op dan een vervreemdend soort ‘outsider art’. Eigenlijk is alleen het laatste hoofdstuk, dat van de zelfportretten, de moeite waard. Drie schilderijen en twee krijttekeningen (waarvan er een op het omslag is afgebeeld) tonen iets van diezelfde innerlijke gekweldheid die je ook op de foto’s ziet. Rauw en indringend.

*     *     *
Het drieluik in Groningen, Drachten en Oranjewoud is het eerste, en mogelijk ook het laatste, grote overzicht van Pleysiers werk. Heel grote kunst levert het niet op. Wel een intrigerend beeld van een kunstenaar die in mentale afzondering verwoede pogingen deed om de woelingen in zijn eigen psyche om te zetten in beelden en die daarin soms, ten dele, slaagde. Maar of dat genoeg is om drie museale presentaties te rechtvaardigen, daarover kunnen de meningen uiteenlopen.