vrijdag 17 januari 2020

VINTAGE TINUS VAN DOORN





Tinus van Doorn is een van die kunstenaars die, strikt genomen, niets te maken hadden met Friesland of noordkunst, maar die toch in de zalen van Museum Belvédère tot de stamgasten behoren. De schakel is, zoals zo vaak, Thom Mercuur, die een uitgesproken voorliefde, en een fijne neus, had voor kunstenaars die buiten het reguliere circuit vielen, de eigenheimers in de kunst die zich niets aantrokken van  modieuze stromingen en bewegingen, maar vaak in afzondering aan een eigenzinnig oeuvre werkten. Leon Adriaans was er zo een, en Armand Bouten, en ook Jaap Min. En het is niet toevallig dat in veel gevallen het eerste, en soms het enige, boek over zulke kunstenaars tot stand kwam door toedoen van Mercuur. 
Het grafisch oeuvre van Tinus van Doorn is vrij omvangrijk. Dat het desondanks relatief onbekend is, heeft te maken met het feit dat hij vaak slechts enkele afdrukken maakte, voornamelijk om zelf het resultaat te kunnen zien. Een enkele maal zijn deze afdrukken gesigneerd, maar vaak ook niet. Veel prenten waren bedoeld als boekillustraties, voor uitgaven van zijn eigen Perdok Pers.
Veertig jaar na zijn dood werden de platen voor 154 linosneden die hij maakte tussen 1931 en 1940 teruggevonden in een kist en in 1981 besloten de kunsthandels Borzo (toen nog in Den Bosch) en Wending (van Adriaan Venema) om deze door middel van een grootscheeps herdrukproject voor een groter publiek toegankelijk te maken. 
Gelukkig is het niet moeilijk om te bepalen of een prent  'vintage' Tinus van Doorn is of een herdruk uit 1981. De reprints werden gedrukt op zwaar handgeschept papier 'Magnani Giotto Chamois', dat Van Doorn zelf nooit gebruikte (hij gebruikte dun zgn. chinees papier). Ook werden ze genummerd 1-25 en voorzien van een blindstempel.  Het totaal aantal herdrukken bedraagt dus bijna vierduizend en het spreekt vanzelf dat de marktwaarde (als het goed is) ver onder de prijs van een 'originele' Tinus van Doorn prent ligt.

Hier drie linosneden die Tinus van Doorn, de spittende boer uit 1928, de andere twee uit de tweede helft van de dertiger jaren, niet lang voordat hij en zijn vrouw in 1940 in Brussel een eind aan hun leven maakten. 






vrijdag 3 januari 2020

NIKS EXPRESSIONISTISCH GEDOE - DREWES DE WIT

Sober en stijlvol, zo mogen we deze houtdruk van Drewes de Wit wel noemen. Hij maakte hem in 1986 voor de ICA box, een houten kist met grafisch werk van zes Groninger kunstenaars, in een oplage van 60 ex.. Zie hier:

https://www.prentwerk.nl/contents/en-uk/d381_Drewes_de_Wit.html 

donderdag 2 januari 2020

NIET BLIJ - JAN VAN DER ZEE EN HET EXLIBRIS


Wel heel mooi, dit exlibris dat Jan van der Zee in 1984 maakte voor Piet Hiemstra. Van der Zee zelf was er minder blij mee, want zijn ogen werden wat minder en dat gepriegel op klein formaat ging moeizaam. 'Eens maar nooit weer', sprak hij volgens de overlevering toen het af was.

Meer weten? Klik HIER

dinsdag 17 december 2019

GERRIT BENNER IN PARIJS



'Wie in de zomer van 1960 in Parijs rondloopt, kan daar een affiche tegenkomen waarop een uitbundig kraaiende haan van Benner reclame maakt voor de expositie Hollandais d'Aujourd'hui', aldus Doeke Sijens in de grote Benner monografie uit 2015. Nu was ik toevallig in 1960 niet in Parijs (en Doeke Sijens ook niet, mag ik aannemen), maar zoiets maakt wel nieuwsgierig, dus enig speurwerk is geboden. 
Veel is er over de tentoonstelling niet te vinden. Twee Nederlandse dagbladen melden in mei van dat jaar dat in Parijs een omvangrijke tentoonstelling van hedendaagse Nederlandse kunst zal worden geopend, in tegenwoordigheid van de Nederlandse ambassadeur, met 180 werken van ruim 50 kunstenaars. De expositie is georganiseerd door het INDAP, het Institut Néerlandais pour la Diffusion des Arts Plastiques. Alle werken waren te koop. 
Het probleem was natuurlijk wel dat er een ruimte moest worden gezocht die groot genoeg was om die 180 werken te herbergen. Uiteindelijk werd gekozen voor de Salle Balzac, een lage ondergrondse zaal die toebehoorde aan de bekende galerie van Raymond Creuze. 
Dat Benner de eer te beurt viel om als vaandeldrager te fungeren is veelzeggend over zijn faam in die jaren en we mogen veilig aannemen dat hij met meerdere werken was vertegenwoordigd, waaronder de op het affiche afgebeelde gouache. Het merkwaardige is echter dat deze haan, een karakteristiek onderwerp voor Benner in de late jaren vijftig en vroege jaren zestig, in de latere Benner-literatuur nergens meer terugkomt. Hier en daar duikt er nog wel een op (Doeke Sijens toont een uit de collectie van het Fries Museum, en ook Museum Belvedère heeft een variant in bezit), maar dit exemplaar lijkt van de aardbodem verdwenen.
En dat affiche, dat is ook nergens meer te vinden. Althans, tot vandaag, Want met lichte trots kan Prentwerk nu een mooi exemplaar aanbieden!
[Met dank aan www.delpher.com en, uiteraard, Doeke Sijens]

Voor details, klik HIER 

donderdag 19 september 2019

‘ONTROERING IS MEER DAN HET WETEN’





De collectie Thom Mercuur als zelfportret


Antiekhandelaar, palingvisser, restauranthouder, conservator, uitgever, galeriehouder, museumdirecteur. Soms leek het wel alsof journalisten een wedstrijd hielden wie de langste lijst kon maken van dingen waarmee Thom Mercuur (1940-2016) zich in de loop van zijn leven allemaal had beziggehouden. En het was waar, er zullen weinig mensen zijn met zulke uiteenlopende activiteiten als Mercuur. Maar het meest van al was hij toch kunstverzamelaar, zijn hele leven. Altijd was hij op zoek naar kunst, ‘zijn’ kunst. In de grillen van de kunstmarkt, het laatste en het nieuwste, was hij niet geïnteresseerd. Wat hij zocht was kunst die hem paste, waarin hij iets van zichzelf terugvond. Voor Mercuur was kunst verzamelen een eindeloze ontdekkingstocht, dwars door Friesland maar ook dwars door de tijd. Hij kocht werk van de kunstenaars met wie hij jarenlang optrok en die hij ooit een eigen museum beloofde, zoals Sjoerd de Vries en Boele Bregman, maar ook van kunstenaars van wie amper iemand had gehoord, maar die volgens hem meer aandacht verdienden dan ze kregen. Hij speurde naar interessante kunstenaars die op de een of andere manier waren zoekgeraakt in de pagina’s van de kunstgeschiedenis en die kocht hij, voor zichzelf, soms om weer te verkopen, en later voor zijn museum.



KUNST IS EMOTIE


‘Autodidactisch kunsthistoricus’, zo noemde hij zichzelf wel. Enige ironie was daaraan niet vreemd, want voor hem betekende ‘kunsthistoricus’ weinig meer dan dat hij evenzeer was geïnteresseerd in oudere als in hedendaagse kunst. Het houden van uitgebreide theoretische verhandelingen en betogen daarover liet hij graag over aan anderen. Voor hem was kunst in de eerste plaats emotie. ‘Zo gauw kunst alleen maar verstandelijk of technisch is, dan laat ik het liggen. Het moet mij een gevoel geven. Mensen vragen me wel eens wat ik aan die kunst vind, maar dat weet ik niet! Het niet weten kan fascinerender zijn dan het weten. Ik verbaas mij. Een kind verbaast zich. Maar bij verbazing kun je nooit zeggen waarom en daarom.’

Huub Mous vertelt op zijn blog dat Thom Mercuur en hij ooit een discussie voerden over de vraag of je om kunst kon huilen. Mous vond van niet. Huilen doe je om mensen, niet om kunst. Thom vond dat helemaal niet vreemd. Sterker nog, hij had het vaak gedaan, zei hij. Voor wie hem heeft gekend zal het niet als een verrassing komen. Voor Mercuur was kunst niet iets dat op zichzelf stond, maar dat onverbrekelijk was verbonden met menselijke emotie. Zijn emotie. Voor hem moest kunst over mensen gaan en dat was ook zijn voornaamste criterium in wat hij kocht en verzamelde. Hij koos uit de kunst wat hem raakte en negeerde de rest. En dat betekende dat er voor surrealisme, Fluxus, videokunst, minimalisme, conceptuele kunst en andere rationele en meer intellectueel gerichte kunstvormen geen plaats was, niet in zijn collectie en niet in zijn museum. Thom ‘had er niets mee’, en dat was voor hem reden genoeg.  





ZELFPORTRET


Als kunstverzamelaar was Mercuur een ‘amateur’, maar dan wel een in de meest letterlijke zin van het woord. Hij was een liefhebber, een man met een passie voor kunst, maar alleen met die kunst die een directe weerklank vond in hemzelf. Zijn collectie en zijn museum waren een afspiegeling zijn van eigen persoonlijkheid, van zijn smaak en artistieke voorkeuren. Binnen die grenzen had hij een scherp oog voor kwaliteit, waarbij hij zich weinig gelegen liet liggen aan reputaties, trends, hypes en de waan van de dag, Kunst moest eerlijk zijn, zonder pretentie en zonder effectbejag, gemaakt vanuit een herkenbaar gevoel. En die kunst vond hij, behalve in ‘zijn’ Friese kunstenaars, in het Noord-Europees expressionisme, de Vlaamse school van Sint Martens Latem en in naïeve kunst en outsider art. Hij kocht alleen die werken die de specifieke kwaliteiten bezaten waarnaar hij op zoek was, soms maar een enkel schilderij van een kunstenaar, en daarbij was het van geen belang hoe hoog die in de kunstgeschiedenis stond aangeschreven.

Wanneer een verzameling die op zo’n subjectieve basis is bijeengebracht plotseling wordt gepromoveerd tot museumcollectie, kan kritiek niet uitblijven. De collectie Mercuur, zo werd gemopperd, was eigenlijk een ratjetoe waarin iedere ordening of systematiek ontbrak. En strikt formeel gezien was dat ook zo. Het was geen verzameling die op verantwoorde wijze langs kunsthistorische lijnen was opgebouwd. Wat al die schilderijen en objecten verbond was niet meer dan een mentaliteit, een sensibiliteit en een manier van kijken die nog het best duidelijk wordt als men het begeleidende boek bij zijn afscheidstentoonstelling Eb en Vloed uit 2010 doorbladert. Los van het feit dat hier gekozen was voor een thema dat Mercuur na aan het hart lag, was het een heterogene expositie, grillig en eigenzinnig als de man zelf. Maar een ratjetoe was het niet. Al die objecten kwamen samen in een gevoelsmatige eenheid, een zelfportret van de samensteller dat getuige de reacties door een breed publiek werd herkend en gewaardeerd.




MERCUUR MUSEUM


Als Thom Mercuur veertig jaar jonger was geweest, was hij nu waarschijnlijk bestempeld als ‘influencer’, mensen die op sociale media een groot aantal volgers hebben en zo een belangrijke smaakbepalende rol vervullen. En volgers had Mercuur in zijn tijd ook al genoeg. Kunstliefhebbers en kunstkopers lieten zich graag door hem leiden, omdat hij als geen ander geestdrift kon opwekken voor kunst die hemzelf na aan het hart lag. Het resultaat was dat veel van zijn persoonlijke voorkeuren werden weerspiegeld in lokale verzamelingen. Voor veel mensen was hij de personificatie van de Friese kunst, de man die in belangrijke mate verantwoordelijk voor het ontstaan van een canon van Friese kunst in de twintigste eeuw. Thijs Rinsema, Tames Oud, Dora Tuynman, Jentje van der Sloot, het waren allemaal kunstenaars over wie jarenlang maar één enkel boekwerkje te krijgen en dat was steevast uitgegeven door zijn uitgeverij De Drijvende Dobber.

In 2004 kreeg hij eindelijk zijn museum en zijn verzameling vormde de basis van de collectie. Het ‘Mercuur museum’ was eindelijk een feit. Zijn kunst was zijn zelfportret, en zijn museum was dat ook. Toen hij in 2008 terugtrad als directeur, kon Museum Belvédère een groot deel daarvan in eigendom verwerven en sindsdien is de collectie Mercuur, ondanks alle schenkingen en aankopen van later datum, gezichtsbepalend gebleven voor het museum. Nog steeds waart de geest van Thom Mercuur door het museum. Gelukkig maar. Nog steeds gebeurt het dat je te midden van al die zachtaardige abstractie en impressionistische waddengezichten opeens iets heel anders tegenkomt, een schijnbare dissonant die toch niet uit de toon valt en die onmiskenbaar de eigenzinnige hand van Mercuur verraadt. Een piepklein schilderijtje van Douwe van der Zweep, de hondenkar van Chris Beekman, Willem Jurcka, de bollenvelden van Theo Lohmann, een prachtig naïef schilderijtje van de annunciatie door een Vlaamse schilderes van wie niemand ooit heeft gehoord, het zijn allemaal werkjes in geen ander museum zult tegenkomen. Echt ‘belangrijk’ zijn ze ook niet, maar ze brengen wel bij veel bezoekers een klein schokje van verrassing teweeg. Kleine kijkavontuurtjes. En dat was precies waar het Mercuur om te doen was. Want eerst komt het kijken, dan het ervaren en daarna pas het weten.





MOOI IS MOOI


Verzamelaars heb je in soorten en maten. Sommigen bakenen eerst een duidelijk verzamelgebied af en proberen vervolgens binnen die strikte grenzen een zo compleet mogelijke, of in ieder geval een representatieve, collectie bijeen te brengen zonder daar direct een persoonlijk oordeel aan te verbinden. Thom Mercuur was een ‘romantisch’ verzamelaar. Hij verzamelde wat hij tegenkwam. Mooi is mooi, dat was zijn enige criterium. En als hij iets mooi vond, kon hij dat met zoveel enthousiasme uitdragen dat mensen er ook van gingen houden.

Soms zou je willen dat we meer Mercuren hadden. En dan liefst zoveel mogelijk verschillende. Mensen met een scherp oog, die durven afgaan op hun eigen oordeel. Dwars en eigenwijs? Prima. Zolang ze maar eerst kijken. Het weten komt daarna wel.



Deze kleine hommage aan Thom Mercuur schreef ik, samen met twee andere stukken, voor de speciale Art Noord krant die binnenkort uitkomt. Maar het artikel was te groot, of de krant te klein, in ieder geval moest dit stuk wijken voor andere zaken.  
Ik hoop u allen te zien op Art Noord 3, van donderdag 26 t/m zondag 29 september in Museum Belvédère.
Dick Siersema

zondag 2 december 2018

IN MEMORIAM MARTIN TISSING



MARTIN TISSING 1936 – 2018

Ik kan me nog herinneren hoe ik, jaren geleden, voor het eerst bij Martin Tissing thuis kwam. Het was een novemberavond, het was donker, de gordijnen waren dicht. Vanaf het moment dat ik de woonkamer aan de Melkweg binnenstapte, bestond de buitenwereld niet meer. Het was alsof je, als in een sprookje, door een klein deurtje in een muur opeens in een tovertuin stond. Dit was, om met zijn eigen woorden te spreken, een klein universum. Een huis zonder wit, waarin alles zijn toon en zijn kleur had, met muziek van Monteverdi of Schumann, en waar je ook keek kunst: schilderijen, objecten, etnografica, volkskunst. Op het eerste gezicht had het wel wat weg van een achttiende-eeuws rariteitenkabinet, vol exotische voorwerpen bijeengebracht op een eiland in de beschaafde wereld. Maar tegelijkertijd ademde het ook een soort gemeenschappelijkheid, de expressie van een universele drijfveer die ten grondslag ligt aan alle kunst, en die uitstijgt boven de beperkingen van de eigen tijd en de eigen samenleving. En misschien dat het daardoor kwam dat de madrigalen van Monteverdi op een onverklaarbare manier harmonieerden met de Afrikaanse maskers, en dat de Hopi-beeldjes uit Noord-Amerika zich niet ongelukkig leken te voelen bij de pianomuziek van Schumann.
 Als kunstenaar was Martin Tissing altijd diep doordrongen van het besef van traditie en verwantschap. Voor hem was het ondenkbaar dat iemand zou kunnen, of willen, schilderen zonder zich bewust te zijn van al die grote en kleine meesters die hem voorgingen. Dwars door de tijd zijn ze allemaal, zoals hij zei, ‘familie’. Hun werkwijzen en uitdrukkingsvormen mogen verschillen, wat hen bindt is het pogen om uitdrukking te geven aan wat de mens beweegt tussen hemel en aarde. De geschiedenis van de kunst was voor Martin geen verhaal van evolutie en vooruitgang. Voor hem was het eerder is het één groot atelier, waar de tijd niet bestaat en waar schilders uit alle eeuwen bezig zijn, op hun eigen manier, hun visie op het menselijk bestaan te verbeelden. Het is een pantheon van makers in een dwaaltuin, waar ieder die is toegerust met verbeeldingskracht zich eindeloos kan verwonderen.
Wanneer hem gevraagd werd wie van al die metgezellen in de kunst de meeste invloed op hem heeft gehad, noemde Martin zonder aarzelen de naam van Jaap Nanninga, de Winschoter schilder die in de jaren vijftig in Den Haag uitgroeide tot een van de meest invloedrijke kunstenaars van zijn tijd. De periode dat hij Nanninga heeft gekend was voor hem van cruciale betekenis en hij bracht zijn bewondering tot uitdrukking in titels van zijn eigen werken. Hij schilderde ook een eerbetoon aan Hendrik Nicolaas Werkman en droeg een aantal werken op aan Job Hansen, die hij als jong schilder nog had ontmoet en die hem met zijn werk en zijn persoonlijkheid de weg had gewezen naar het kunstenaarschap.
In de tijd heeft Martin Tissing zijn eigen vorm gevonden. En zoals we ons bij het zien van zijn werk bewust worden van de traditie waaruit het is voortgekomen, zo merken we, tot onze verbazing, dat we ook het werk van al die anderen niet meer kunnen zien zonder ook aan hem te denken.
Zijn werk zoals we dat nu kennen ontstaat in het begin van de jaren tachtig, als de vormen steeds eenvoudiger worden en de kleur steeds belangrijker. Zijn schilderijen worden steeds meer reflecties van de schilder zelf. Het zijn spiegels van zijn eigen gemoedstoestand, een autobiografie in tinten: ‘Echte kleur, dat ben je zelf’.
Dan verschijnen ook de sterren. ‘Het gaat niet om de ster zoals wij die zien’, legde hij dan uit, ‘maar om de ster als begrip: de ster die wij denken, als droom, als verlangen.’ Sterren als metafoor, op een uitspansel van kleur. Het gezicht van de kosmos.
‘Ik tracht het exterieur tot mijn interieur te maken’ schreef hij in zijn prachtige Schriftje. En uiteindelijk blijft alleen het interieur over: de gedachte hemel. Het zijn beelden die zich hebben losgemaakt uit de materie, en iets weerspiegelen van die meerwaarde van het leven die we, bij gebrek aan een betere omschrijving, aanduiden met het woord ‘poëzie’. Niet dat dat veel duidelijk maakt. ‘Poëtisch’, ‘lyrisch-abstract’, ‘mystiek’, al die termen die zo vaak zijn gebruikt om zijn werk te omschrijven, het blijven niet meer dan etiketten die de onmacht van de taal moeten maskeren wanneer we proberen de essentie van beeldende kunst in woorden te vangen. En dan nemen we, noodgedwongen, onze toevlucht tot metaforen. ‘Ik tracht in mijn werk te komen tot gestolde stilte,‘ zei Martin lang geleden. En in het beste geval voelen we aan, denken we, wat hij bedoelt. Gestolde stilte. Maar wat doen we in die stilte?
‘People should be forced to meditate’, zei Mark Rothko. Maar mensen hoeven natuurlijk niets. Ze mogen ook gauw doorlopen naar het volgende schilderij, of naar de volgende tentoonstelling. De werken van Martin Tissing dringen zich niet op. Maar als we ze de tijd en de aandacht geven waar ze om vragen, dezelfde aandacht waarmee ze werden gemaakt, ja, dan kan het zijn dat uit die gekleurde stiltes verwondering opklinkt, tederheid en onschuld, al die breekbare dingen die we van binnen meedragen, maar die in de luidruchtigheid van alledag zo vaak dreigen weg te zakken. En als we oog in oog staan met deze eilandjes van kleur, lijkt het of we er iets van in onszelf terugvinden. Dus toch: kunst als meditatie. En als we nog langer kijken, worden het emblemen van de schoonheid en de troost. Of liever, van de troost in de schoonheid. Want dan zien we ze voor wat ze zijn: pogingen om uit te stijgen boven de grijsheid en de vluchtigheid van het bestaan, een reiken naar de hemel, met, onvermijdelijk, een ondertoon van melancholie. Martins werk is poëtische kunst in een onpoëtische tijd. Maar het geeft uitdrukking aan iets dat, misschien, van alle tijden is: een verlangen naar een verloren paradijs.
Maar zelfs dat is een metafoor.

*   *   *


Martin Tissing overleed op 23 november 2018



vrijdag 7 september 2018

Martin Tissing - 'De weg naar Tibet: 15 aquarellen en een tekening' - uitnodiging + preview






UITNODIGING





Graag nodig ik u uit voor de eerste presentatie op de nieuwe Prentwerk locatie aan het Nieuwe Kerkhof 40, Groningen




MARTIN TISSING









De weg naar Tibet



15 aquarellen en een tekening








Omdat het Prentwerk souterrain aan het Nieuwe Kerkhof helaas niet voldoende ruimte biedt om heel veel mensen tegelijk te ontvangen is, om iedereen toch gelijke kansen te bieden, gekozen voor een andere opzet van de expositie. In plaats van de traditionele opening waarbij iedereen op hetzelfde tijdstip komt, zijn alle werken in de tentoonstelling ook te zien in een digitale preview. Vanaf een week voor aanvang tot het einde van de tentoonstellingsperiode zijn ze online te zien, en direct te koop.  Ook is het mogelijk om per mail een optie van drie dagen nemen op een werk en het werk eerst te komen bekijken. Verkopen en opties, met bijbehorende aflooptijd, worden op de website vermeld.






Vanaf dinsdag 18 september bent u van harte welkom om de expositie, op afspraak, aan het Nieuwe Kerkhof te komen bezichtigen.

 De tentoonstelling is te zien t/m 13 oktober

         Contact:   Dick Siersema  t 06 14 170 171   e     info@prentwerk.nl



Klik HIER voor de preview van de werken in de expositie, of ga naar www.prentwerk.nl >> 'Noordkunst' >> 'Martin Tissing'






prentwerk art & art books

Nieuwe Kerkhof 40   9712 PX Groningen
T   06 14 170 171   e   info@prentwerk.nl
Contact:   Dick Siersema

www.prentwerk.nl